1 jaar aankoopprotocol: protocol blijkt uiterst nuttig instrument om ziekte-insleep op een rundveebedrijf te vermijden
17 februari 2012
Het aankoopprotocol loopt ondertussen meer dan een jaar. Eind 2011 waren er al meer dan 18.500 aankoopprotocollen uitgevoerd. De resultaten na 1 jaar werking tonen aan dat het programma een uiterst nuttig instrument is voor rundveebedrijven om de insleep van dierziekten via aankopen te vermijden.
Het aankoopprotocol van DGZ loopt ondertussen meer dan een jaar. Het programma kwam tot stand dankzij de financiële ondersteuning van het Sanitair Fonds en had als doel de veehouder te helpen om de mogelijke insleep van dierziekten via aankopen op het bedrijf te vermijden.
Op 31 december 2011 waren er al meer dan 18.500 aankoopprotocollen uitgevoerd. Dit bewijst dat veehouders dit programma een uiterst nuttig instrument vinden als aanvulling op het bioveiligheidsbeleid op hun bedrijf om ziekte-insleep te voorkomen. Nu de IBR-bestrijding in een nieuwe en verplichte fase is gekomen, helpt het aankoopprotocol de veehouder bovendien om zijn hoog statuut te vrijwaren bij de aankoop van dieren. Ieder hulpmiddel om insleep van IBR en andere ziekten te vermijden, is immers bijzonder welkom.
Tabel 1: Algemene resultaten aankoopprotocol
| % aankoopprotocol positief | |
|---|---|
| BVD Ag (ELISA op serum) | 0,9% |
| IBR gE As (ELISA) | 14,0% |
| Paratbc As (ELISA) | 1,0% |
| Neospora As (ELISA) | 11,0% |
Overzicht resultaten - algemeen
In 2011 werden in Vlaanderen alles samen 224.000 dieren verhandeld op ongeveer 10.000 rundveebeslagen. Hierbij ging het hem om gemiddeld 18,5 aangekochte runderen per jaar per aankopend beslag. Minder dan10% van al deze aangekochte runderen werd ook getest via het aankoopprotocol. Op het einde van het jaar was er echter een duidelijke stijging tot meer dan 10% onder invloed van het nakende IBR-bestrijdingsprogramma. Op beslagniveau werd het aankoopprotocol door ongeveer 35% van de aankopende bedrijven gebruikt – zij het niet consequent voor ieder aangekocht dier.
In 2011 zijn er 18.559 aankoopprotocollen uitgevoerd, waarvan 90% bij binnenlandse aankopen en 10% bij aankopen in brucellosevrije landen.

Figuur 1: aantal uitgevoerde aankoopprotocols binnenland per maand in 2011
Uit resultaten van de meer dan 16.497 uitgevoerde protocollen op binnenlandse aankopen bleek dat ongeveer 14% van de aangekochte runderen positief is voor IBR gE-antistoffen (d.w.z. drager van het IBR wild-virus). In het kader van het nationale IBR-bestrijdingsprogramma is het aankoopprotocol een noodzakelijke ondersteuning voor de bedrijven die reeds IBR-vrij zijn en dat uiteraard willen blijven. Het bloedonderzoek voor IBR is bij aankoop verplicht voor I3-en I4-bedrijven. Daarnaast is het zeker ook aan te raden voor vaccinerende bedrijven (I2), daar aankoop van IBR-dragers mogelijk kan leiden tot virusverspreiding, zelfs in het geval van vaccinatie.
Voor neospora, de belangrijkste oorzaak van besmettelijke verwerpingen, scoorde ongeveer 11% van de onderzochte dieren positief op antistoffen, terwijl ruim 1% voor paratuberculose positief was. Bijna 1% van de onderzochte dieren was drager van het BVD-virus. Dit toont eens te meer dat BVD-bestrijding één van de hoofdprioriteiten moet zijn op onze rundveebedrijven en illustreert dat een gestructureerde aanpak van BVD in de nabije toekomst zeker zinvol is.
Voor de ziekten BVD, neospora en paratbc kan men als veehouder wettelijke koopvernietiging inroepen. Voor IBR maakt men best voor de aankoop sluitende afspraken, gezien positieve dier niet zijn toegelaten op IBR-vrije bedrijven (status I3 en I4).

Figuur 2: Verdeling van het aantal positieve resultaten per maand
Resultaten in detail
1. Verdeling per provincie

Figuur 3: Verdeling van de uitgevoerde aankoopprotocols per provincie
2. Resultaten volgens geslacht van de aangekochte dieren

Figuur 4: Verdeling van de uitgevoerde aankoopprotocols volgens geslacht
Tabel 2: Detail positieve resultaten volgens geslacht

Voor alle onderzochte ziektes blijken er geen duidelijke verschillen te zijn tussen de geslachten voor wat betreft het voorkomen van ziektes.
3. Resultaten naargelang type dieren (melkvee/vleesvee/dubbeldoel)

Figuur 5: Verdeling van de uitgevoerde aankoopprotocols volgens type dieren
Tabel 3: Detail positieve resultaten volgens rastype

Wat betreft BVD is er geen indicatie dat er een verschil is naargelang het rastype van het aangekochte dier. Wat paratbc betreft, blijkt wel dat het vleestype op zijn minst evenveel positief test als het melktype. Dit wijst erop dat paratbc bij vleesvee zeker niet onderschat mag worden. Voor neospora blijkt het melktype minder aangetast te zijn dan dubbeldoel of vleestype (voorzichtige interpretatie is hier aan de orde). Dit toont aan dat ook vleesveebedrijven en zeker bedrijven met dubbeldoelrassen aandacht moeten hebben voor neospora. IBR is steeds van belang ongeacht het type dieren.
4. Resultaten volgens leeftijd van de aangekochte dieren

Figuur 6: Verdeling van de uitgevoerde aankoopprotocols volgens leeftijd
Tabel 4: Detail positieve resultaten volgens leeftijd

De kans op het aantreffen van een BVD-drager bij aankoop lijkt duidelijk af te nemen in functie van de leeftijd. Bij de categorie dieren jonger dan 1 jaar is de kans op BVD-dragers het hoogst. Dit is een logisch gevolg van het feit dat BVD-dragers in ongeveer 90% van de gevallen niet ouder worden dan 2 jaar, alhoewel dit zeker geen vaste regel is. Wat paratbc betreft is de tendens ook duidelijk en in lijn met de verwachtingen: hoe ouder het aangekochte dier, hoe meer kans om positief te zijn voor paratbc. Ook dit is een gevolg van het karakter van de aandoening: paratbc is een traag, slepend probleem dat pas op late leeftijd detecteerbaar is. Wat neospora betreft, zien we geen duidelijke leeftijdsverschillen. Toch moet er opgelet worden met de eventuele aanwezigheid van maternale antistoffen bij dieren jonger dan 1 jaar. In de regel zijn antistoffen voor neospora verkregen via de biest op een leeftijd van 6 maanden verdwenen. Wat IBR gE betreft: ook hier geen verrassingen: hoe ouder het dier, hoe meer kans het had om in contact te komen met wild IBR-virus en hoe groter de kans om gE-positief te zijn!
5. Resultaten naargelang het land van geboorte van het dier (geen import!)
Tabel 5: Detail positieve resultaten volgens geboorteland

*Andere: Tsjechië, Lithouwen, Polen, Italië, Roemenië, …
Er is weinig verschil wat betreft het geboorteland naar voorkomen van BVD-dragers bij binnenlandse aankopen, althans voor de drie belangrijkste buurlanden van België, namelijk Nederland, Duitsland en Frankrijk. Voor de andere* landen ligt dit percentage hoger. Ongeveer dezelfde tendens zien we bij dieren die positief zijn voor paratbc, hoewel de interpretatie voorzichtig moet gebeuren gezien het beperkte aantal dieren uit die landen. Wat betreft neospora is deze tendens duidelijk minder aanwezig. Als we naar de IBR gE- positieve dieren kijken, blijken er ook meer positief met afkomst (geboorte) uit de andere* landen, maar ook uit Duitsland.
Opmerking: het gaat hier telkens om dieren die op eerdere tijdstippen geïmporteerd zijn en dan gewoon binnenlands verhandeld werden.
Het aankoopprotocol loopt ook door in 2012: hoe deelnemen?
De dierenarts neemt een bloedstaal van het aangekochte rund, in quarantaine op het bedrijf van aankoop, en brengt dit binnen in het laboratorium van DGZ samen met het identificatiedocument van het dier en het aanvraagformulier voor het aankoopprotocol.
Het laboratorium voert vervolgens op dit ene serumstaal alle standaardtesten uit die opgenomen zijn in het aankoopprotocol, namelijk:
- BVD-antigen (ELISA),
- IBR gE-antistoffen (of IBR gB indien zo vermeld op het Aanvraagformulier voor het aankoopprotocol),
- antistoffen voor paratuberculose,
- antistoffen voor neospora.
Het Sanitair Fonds vergoedt ongeveer 50% van de analysekosten.









