Abortusprotocol
Bij rundvee wordt een abortuspercentage op bedrijfsniveau van 3% per jaar als normaal beschouwd. Bij schapen ligt dit percentage op 2%. Vanaf 5% spreekt men echter van een abortusprobleem. Niettemin zorgt elke verwerping voor een financieel verlies voor de veehouder. Het is dus erg belangrijk om al bij de eerste abortus op zoek te gaan naar de oorzaak ervan.
Binnen het nieuw Sanitair Beleid is het bovendien zo dat veehouders gehouden zijn iedere abortus bij runderen, schapen of geiten te laten onderzoeken. Op deze manier wil men de brucellosevrije status van België blijven monitoren en vrijwaren.
Daarnaast kan men met behulp van het Abortusprotocol de sanitaire situatie van andere en opkomende dierziekten van kortbij opvolgen. Dit initiatief van het FAVV maakt het voor de veehouder en de bedrijfsdierenarts ook mogelijk om zich beter te informeren over de epidemiologische toestand van de betrokken veestapel.
Het huidige Abortusprotocol van het FAVV werd uitgewerkt op basis van de bevindingen van Veepeiler en GPS. In 2008 slaagden de projecten van Veepeiler en GPS erin om het diagnosepercentage bij verwerpingen op te trekken van 35% naar 60%.
Het Abortusprotocol voorziet – naast de officiële en verplichte onderzoeken op brucellose – het opsporen van de meest gangbare infectieuze oorzaken van abortus.
Vanaf 1 oktober 2011 omvat het Abortusprotocol volgende onderzoeken:
- Serum moederdier:
- Brucellose As
- Leptospirose As
- Neospora As - Foetus (verworpen vrucht):
- Autopsie
- ZN-kleuring (indicatief voor brucellose)
- Bacteriologisch en mycologisch onderzoek
- Histologisch onderzoek van de long: enkel indien in de foetale long en lebmaag eenzelfde reincultuur wordt teruggevonden
- BVD antigeen onderzoek ELISA
- Neospora histologie foetaal hart- en hersenweefsel: enkel indien serum moederdier antistoffen voor Neospora vertoont
- BTV Ag PCR
- Q-fever Ag PCR - Indien er geen foetus is, maar wel een nageboorte:
- ZN-kleuring (indicatief voor brucellose)
- Bacteriologisch onderzoek enkel voor brucellose
- Q-fever Ag PCR
Echter, naast de infectieuze oorzaken zijn er nog tal van andere factoren (genetische, voedingsgerelateerde, enz.) die een rol kunnen spelen bij een verwerping en die veel moeilijker vast te stellen zijn. Daarnaast kan het ook zijn dat de eigenlijke oorzaak van de abortus niet meer te achterhalen is door vergevorderd verval van de foetus.
Om de diagnosekans te verhogen, is het van belang om correct en vers materiaal aan te bieden voor onderzoek. Contacteer bij een verwerping steeds uw dierenarts zodat deze de nodige stalen kan nemen. Dit zijn:
- de vers geaborteerde foetus (mag niet gedronken hebben);
- (stuk) nageboorte met cotyledonen;
- staal gestold bloed van het moederdier met volledige identificatie (BEnr+8cijfers).
De dierenarts vult ook een anamneseformulier in met een minimale anamnese van het moederdier en het bedrijf. Bezorg dit formulier samen met de stalen aan DGZ.
De projectdierenarts en/of de dierenarts-diagnosticus van DGZ beslissen of het binnengebrachte materiaal in aanmerking komt voor het Abortusprotocol.
Aangezien de onderzoekskosten volledig worden gedragen door het FAVV, is deelname aan het Abortusprotocol volledig gratis voor de veehouder.
Bovendien is de ophaling van grotere geaborteerde foeti en aanvullende stalen op het bedrijf eveneens kosteloos.
Wenst u een ophaling aan te vragen, contacteer dan de helpdesk van DGZ op nr. 078 05 05 24.









