Paratuberculoseprogramma voor melkveehouders
Uit een studie is gebleken dat een met paratuberculose besmet dier ongeveer 5 kg melk per dag minder produceert. Onderzoek in Nederland toonde aan dat dit voor een besmet bedrijf, met pakweg 50 melkkoeien, een inkomensverlies betekent van ongeveer 6000 euro er jaar. Daarnaast leidt paratuberculose tot een vervroegde afvoer van de dieren en een lagere slachtwaarde.
Er bestaat geen behandeling voor paratuberculose. De enige manier om paratuberculose te bestrijden is voorkomen dat jonge dieren besmet worden. Het vrijwillige programma paratuberculosebestrijding is erop gericht melkveehouders hierbij te ondersteunen.
De onderzoeken tijdens de voorbije campagnes toonden aan dat op ongeveer twee derde van de bedrijven alle stalen negatief bleven voor paratuberculose. Op één derde van de bedrijven werd ten minste 1 seropositief dier (dier met antistoffen) gevonden. Ongeveer 1% van de koeien is besmet met paratuberculose. Al meer dan 20% van de Vlaamse melkveehouders neemt deel aan het bestrijdingsprogramma.
Jaarlijks of tweejaarlijks naargelang hun niveau worden de deelnemende beslagen gescreend. Dat betekent dat minstens de lacterende runderen van meer dan 30 maanden oud onderzocht worden op de aanwezigheid van antistoffen. Seropositieve dieren worden binnen een opgelegde termijn rechtstreeks naar het slachthuis afgevoerd. Bij aankoop van een rund van meer dan 24 maanden oud moet een aankooponderzoek plaatsvinden.
Reglement paratuberculoseprogramma voor de Belgische zuivelketen
Het programma voorziet drie opvolgingsniveaus:
- Niveau A of laagrisico op aanwezigheid van ziektekiemen in de melk. Er werden geen of slechts een beperkt aantal positieve dieren vastgesteld die in overeenstemming met de regels van de korte opruimingstermijn rechtstreeks voor de slacht (of destructie) afgevoerd werden. Een A-bedrijf wordt tweejaarlijks serologisch onderzocht en geëvalueerd en blijft hiervoor genieten van de financiële steun door het Sanitair Fonds.
- Niveau B of gematigd risico op aanwezigheid van ziektekiemen in de melk. Er werden positieve dieren vastgesteld die in overeenstemming met de regels van de langere opruimingstermijn rechtstreeks voor de slacht (of destructie) afgevoerd werden. Een B-bedrijf wordt jaarlijks serologisch onderzocht en geëvalueerd en blijft hiervoor genieten van de financiële steun door het Sanitair Fonds.
- Niveau C of risico op aanwezigheid van ziektekiemen in de melk. Er werden positieve dieren vastgesteld die niet in overeenstemming met het reglement opgeruimd werden en/of er werden onvoldoende onderzoeken uitgevoerd. Een C-bedrijf kan voor de eerstvolgende jaarlijkse serologische onderzoeken en evaluatie geen beroep doen op financiële steun van het Sanitair Fonds.
VEELGESTELDE VRAGEN:
Mag een seropositief dier op een ander beslag (waar geen melkkoeien staan) afgemest worden?
Neen, dit mag niet. Gezien de besmettelijkheid, ook indien het dier er niet ‘ziek’ uitziet, wordt er in het programma veel aandacht besteed aan het verwijderen van seropositieve dieren uit het handelscircuit. Een seropositief dier mag in geen enkel geval toegevoegd worden aan een ander beslag.
Het dier moet op een van de volgende manieren verwijderd worden van het beslag:
- afvoer rechtstreeks naar een Belgisch slachthuis;
- export voor de slacht;
- afvoer naar het vilbeluik.
Denk eraan om het vertrek van het dier zo snel mogelijk te melden in Sanitel. Het correct opruimen van seropositieve dieren wordt immers aan de hand van deze informatie gecontroleerd.
Hoeveel tijd krijg ik om een seropositief dier op de ruimen?
Om geen onnodige risico’s te lopen moet een seropositief dier altijd zo snel mogelijk opgeruimd worden.
- Op een kandidaat-A-beslag (beperkt aantal positieve dieren) moeten, voor het behalen van niveau A, in ieder geval alle positieve dieren binnen de 2 maanden na de bloed- of melkstaalname opgeruimd worden (rechtstreeks naar een slachthuis of destructiebedrijf).
- Voor het behalen van niveau B moeten alle positieve dieren uiterlijk 31 MEI van het betrokken werkjaar opgeruimd worden (voor werkjaar 2011-2012 is dit uitzonderlijk 30 JUNI 2012).
Hoe vroeger in de campagne men de bloed- of melkstaalname uitvoert, hoe langer op voorhand men, voor het behalen van niveau B, de opruiming kan plannen! Voor een (hoog)drachtige koe is er dan nog de mogelijkheid de koe te laten afkalven. Let hierbij bijzonder goed op dat de koe haar kalf of andere kalveren niet kan besmetten en denk eraan geen geneesmiddelen toe te dienen met een (te) lange wachttijd.
Ik kan er toch niets aan doen dat de koper het dier niet rechtstreeks naar het slachthuis heeft gevoerd. Ben ik hiervoor dan verantwoordelijk?
De veehouder is verantwoordelijk voor het tijdig en correct opruimen van zijn seropositieve dieren. Hij moet een eventuele koper duidelijk maken dat het dier tijdig opgehaald moet worden en rechtstreeks naar een slachthuis gevoerd moet worden. Om deze eis kracht bij te zetten kan hij eventueel een verbintenis laten ondertekenen (Model verbintenis koper/handelaar).
Wat zijn de gevolgen binnen het programma indien ik niet alle seropositieve dieren opruim zoals het zou moeten?
Het Sanitair Fonds voorziet onder voorwaarden een financiële tussenkomst in de analysekosten van de screening. Eén van de voorwaarden is dat de regels voor het opruimen van seropositieve dieren worden gerespecteerd. Een beslag waarvan niet alle seropositieve dieren tijdig of niet rechtstreeks naar het slachthuis werden afgevoerd, verliest deze financiële tussenkomst voor de volgende screening.
Melkveehouders kunnen zich inschrijven voor het vrijwillige paratuberculoseprogramma door het inschrijvingsformulier in te vullen en te bezorgen aan DGZ.
Minstens alle lacterende dieren moeten bemonsterd worden. U hebt de keuze tussen twee bemonsteringswijzen:
- Bemonstering door de BEDRIJFSDIERENARTS (afname van individuele bloed- of melkmonsters)
- Bemonstering via CRV-VRV (MPR-koemelkmonsters)









