A E H I V
 
 

A

Agglutinatie

Agglutinatie is het neerslaan of uitvlokken van complexen gevormd door antistoffen en antigen. Afhankelijk van de complexen spreekt men van aggluatinatie of precipitatie.

 

AGP (agar gel precipitatie)

Bij de AGP-test wordt de aanwezigheid van antistoffen tegen een bepaald antigen in het serum onderzocht door het te testen serum en het bepaald antigen in een gel te laten diffunderen. Wanneer antistoffen specifiek gericht tegen het bepaald antigen aanwezig zijn in het serum, ontstaan er Ag-As complexen. Deze complexen slaan neer in de gel en zijn zichtbaar onder de vorm van een precipitatielijn.

 

Antibiogram (kwalitatieve agar-diffusietest)

Dit is veruit de meest toegepaste antibioticagevoeligheidstest in bacteriologische laboratoria. En ook bij DGZ, waar deze test dagelijks wordt uitgevoerd. Het principe berust op diffusie van verschillende antibiotica vanuit tabletjes of papierschijfjes in een omgevende voedingsbodem, na beënting van de voedingsbodem met de bacteriestam waarvan de gevoeligheid dient gemeten te worden. Tijdens incubatie overnacht in een broedstoof zal de bacteriestam groeien op de voedingsbodem, maar tegelijkertijd zullen de antibiotica diffunderen in het medium. De concentratie van de antibiotica zal het grootst zijn in de onmiddellijke omgeving van de tabletjes, en afnemen naarmate de afstand tot deze reservoirs van antibiotica toeneemt. De bacteriestam wordt dus blootgesteld aan een continue gradiënt van antibioticumconcentraties. Op deze manier kunnen remzones of groei-inhibitiezones ontstaan rond de antibioticareservoirs. Hoe gevoeliger de bacterie is voor een bepaald antibioticum, hoe groter de remzone zal zijn, en vice versa. Bij het aflezen van de test na incubatie worden dan ook de diameters van de remzones gemeten. Deze diameters worden vervolgens vergeleken met vooropgestelde breekpuntdiameters, die classificatie toelaten in drie kwalitatieve resultaatscategorieën: gevoelig, intermediair of resistent. De breekpunten zijn verschillend naargelang het geteste antibioticum en naargelang de bacteriesoort die getest wordt.

 

E

Elektroforese

Elektroforese wordt gebruikt om een infectie goed te kunnen inschatten aan de hand van de bepaling van de aanwezigheid van albumine, alfa-, beta- en gammaglobulinen. Ieder eiwit (en dus ook de globulines) heeft bij een bepaalde pH een zogenoemd iso-electrisch punt. Bij dit punt heeft de eiwitmolecule geen overschotlading omdat de positieve en de negatieve ladingen van de zijketens (COO¯ H+ en NH3+ OH¯) elkaar opheffen. Verandert men de pH van de oplossing naar de alkalische kant van het iso-electrisch punt, dan wordt de basische dissociatie NH3+ OH¯ teruggedrongen en blijft er COO¯ H+ over. Het eiwitmolecule heeft dus een negatieve overschotlading (COO¯) en zal zich, als men in deze oplossing twee electroden met een spanningsverschil aanbrengt, naar de positieve pool (de anode) begeven. Afhankelijk van de pH van de bufferoplossing, het iso-electrisch punt van het eiwit en de stroomsterkte in het systeem zal elk deeltje een bepaalde snelheid krijgen en een overeenkomstige afstand afleggen: het albumine zal zich het verst verplaatsen, de gammaglobulinen het minst ver. De alfa- en de betaglobulinen zullen tussenin liggen.

 

ELISA

De ELISA of ‘enzyme-linked immunosorbent assay’ is de meest uitgevoerde test op de afdeling serologie van DGZ. Antistoffen of antigenen van verschillende aandoeningen worden op deze manier opgespoord in serum of ongestold bloed.
Met de ELISA toont men een antigeen-antistofbinding aan gebruikmakend van een enzym als merker. Bij de ELISA-test zal de binding van de op te sporen antistof of antigeen (naargelang de test) gebeuren aan een vaste drager. De ontstane antistof-antigeenbinding zal daarna zichtbaar gemaakt worden met behulp van een conjugaat en substraat. De aflezing van de test gebeurt door middel van het meten van een optische densiteit/kleurreactie. De ELISA-test is een gevoelige methode die automatisering toelaat, waardoor een groot aantal testen uit te voeren is in een beperkt tijdsinterval.
 

 

H

HI (hematugglutinatie-inhibitietest)

Wanneer een gastheer besmet is met een hemagglutinerend virus, ontstaan er antistoffen die de binding van het virus met de rode bloedcellen kan verhinderen. Bij de HI-test wordt nagegaan tot in welke verdunning het serum nog voldoende antistoffen bevat om hemagglutinatie tussen een standaard hoeveelheid virus en rode bloedcellen volledig te verhinderen.
HI-titer: omgekeerde van de serumverdunning die nog in staat is de hemagglutinatie volledig te verhinderen.

 

I

Immunofluorescentie

Techniek waarbij men gebruik maakt van fluorescerende kleurstoffen om te kijken of een bepaalde ziekteverwekker aanwezig is. De kleurstoffen zijn gebonden aan antistoffen. Wanneer de antistoffen in contact komen met weefsel waarin ziekteverwekker aanwezig is, worden de antistoffen gebonden aan het eiwit specifiek voor bepaalde ziekteverwekker. Vervolgens worden de niet gebonden antistoffen weggewassen. Wanneer het weefsel vervolgens microscopisch bekeken wordt, is de fluorescentie zichtbaar. Indien de ziekteverwekker niet aanwezig is, treedt er geen bindingsreactie op en worden de antistoffen weggewassen en is er geen fluorescentie zichtbaar.

 

Ionenchromatografie

Toegepast voor chemisch wateronderzoek. Het waterstaal wordt via een geleider over ionenuitwisselaar gestuurd. Vervolgens worden de ionen gescheiden op basis van grootte en lading. De hoeveel van een bepaald ion aanwezig is, wordt berekend aan de hand van de meting van de piekoppervlakte. De identiteit van het ion wordt bepaald aan de hand van de retentietijden (weergegeven op de X-as).
 

 

V

Vleeskalf

Vleesklaveren zijn runderen, niet ouder dan twaalf maanden, die geregistreerd zijn op een vleeskalverhouderij.

 

Vleeskalverhouderij

Een vleeskalverhouderij is een inrichting waar uitsluitend kalveren worden gehouden voor de vleesproductie en die hiervoor een toelating van het FAVV heeft.