Atrofische rhinitis (AR) of snuffelziekte
Men spreekt van atrofische rhinitis (AR) of snuffelziekte wanneer er typische snuitveranderingen worden vastgesteld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee vormen van AR, namelijk de progressieve (PAR) en de niet-progressieve (NPAR) vorm. Deze laatste geeft aanleiding tot mildere, voorbijgaande symptomen, meestal beperkt tot biggen op de batterij. De progressieve vorm zal eerder blijvende letsels veroorzaken en kan leiden tot een daling van de groeiprestaties bij de vleesvarkens.
Etiologie
Atrofische rhinitis is een multifactoriële aandoening.
Er zijn 2 bacteriën die een rol spelen: Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida (voor PAR). Deze kiemen kunnen toxines of gifstoffen produceren die voor de schade aan de neus verantwoordelijk zijn. Progressieve atrofische rhinitis ontstaat meestal na een gecombineerde infectie met Bordetella bronchiseptica en een DNT-producerende Pasteurella multocida stam.
Een hele reeks andere factoren zullen echter ook een rol spelen bij het ontstaan en de omvang van de symptomen:
- leeftijd van infectie
- stalventilatie - Kwaliteit van de stallucht
- management
- genetica
- co-infecties
Meer lezen over andere oorzaken atrofische rhinitis.
Symptomen en letsels
- Snuiven en niezen kan waargenomen worden van in het kraamhok, en dit gedurende de ganse mestperiode.
- Neusvloei kan optreden en er kunnen bloedneuzen voorkomen.
- Vervormingen van de snuit door het verschrompelen of de atrofie van de neusschelpen: een verkorte bovenkaak met sterk geplooide huid op de vervormde neus of scheve neuzen.
- Traanstrepen: een vuile streep vanuit de binnenste ooghoek over de wang.
- Bij middelmatige tot erge uitbraken treedt ook een groeivertraging op, zeker vanaf een gewicht van 60 kg.
Voorkomen en verspreiding
- De verspreiding van de kiemen en het in stand houden van de infectie op het bedrijf gebeurt door direct contact tussen de varkens:
- De zeug kan fungeren als besmettingsbron voor haar biggen.
- Oudere biggen kunnen jongere biggen besmetten.
Echter ook ander diersoorten zoals honden, katten, runderen, schapen, konijnen, knaagdieren, vogels en de mens kunnen drager zijn van Pasteurella en op deze manier een infectie op het bedrijf binnenbrengen of in stand houden. De insleep van de DNT-producerende Pasteurella-stammen is meestal het gevolg van de aanvoer van symptoomloze dragers, zowel biggen als gelten die na aanvoer veel kiemen kunnen uitscheiden. Vandaar ook het belang van de aankoop van vrij fokmateriaal.
Klinische symptomen
Op basis van de karakteristieke klinische symptomen kan een eerste diagnose gesteld worden op het bedrijf. Deze moet echter bevestigd worden via bacteriologisch onderzoek.
Lijkschouwing
De verschrompelde neusschelpen en de vervorming van het neustussenschot kunnen bij een lijkschouwing vastgesteld worden (via het dwars doorzagen van de neus). De onderste neusschelpen vertonen normaal het eerst atrofie. Bij de ergste graad van AR zijn de neusschelpen volledig verdwenen en is er een erge vervorming van het neustussenschot waar te nemen.
Bacteriologisch onderzoek en aantonen van aanwezigheid van het toxine
Men kan P. multocida en B. bronchiseptica isoleren uit neusswabs door middel van een bacteriekweek. Op deze manier kan ook de antibioticumgevoeligheid van de bacteriën getest worden. Er is echter pas werkelijk sprake van PAR wanneer de bacteriën ook positief zijn voor het dermonecrotisch toxine. Dit wordt aangetoond door een PCR-test. Belangrijk is dat de dieren op het moment van staalname niet onder medicatie staan of onlangs medicatie kregen!
De aanpak van AR is gestoeld op drie pijlers: vaccinatie van de zeugen, management en antibioticumbehandeling. Daarnaast is de aankoop van gecertificeerde fokdieren de beste manier om de insleep van de ziekte te vermijden.
Vaccinatie
Wanneer men de zeugen vaccineert, dan zorgt men ervoor dat de biggen via de biestmelk immuniteit meekrijgen tegen B. bronchiseptica en P. multocida. Een primo-vaccinatie bestaat uit 2 injecties met 4 tot 6 weken tussentijd. Herhalingsvaccinaties tijdens de dracht (2 tot 6 weken vóór het werpen). Zie bijsluiter.
Management en andere factoren
Hygiënische maatregelen doen de infectiedruk dalen. Punten van aandacht zijn: all in/all out werken, compartimenteren, bezettingsgraad, verleggen, leeftijdsgroepen, scheiden optimale ventilatie en kwaliteit van de stallucht nastreven, voedersysteem, …
Antibioticumbehandeling
Om kiemuitscheiding te onderdrukken, kan men de zeugen rond het werpen behandelen met antibiotica. De biggen kunnen ook behandeld worden met antibiotica om de infectie te onderdrukken. Het is echter belangrijk om deze therapieën langdurig vol te houden en op deze manier wordt antibioticumresistentie in de hand gewerkt.
Aankoop van gecertificeerde fokdieren
Meer lezen hierover: Programma AR toxinegescreend.









