Boosaardige catarraal koorts (BCK)
Boosaardige catarraal koorts (BCK) (ook malignant catarrhal fever, snotsiekte (Zuid-Afrika) en coryza gangraenosa bovum) komt slechts sporadisch voor waardoor deze ziekte een minder bekende differentiële diagnose is van mond- en klauwzeer.
Het is een acute, in de regel fataal verlopende ziekte die vooral runderen, bizons, buffels en herten aantast. Ze tast bij deze dieren zowat alle organen tegelijk aan. Kenmerkend daarbij zijn de erge ontstekingsreacties en de ulceratieve letsels in de slijmvliezen van het ademhalingsstelsel en het spijsverteringsstelsel, en de aantasting van het lymfoïede stelsel, het zenuwstelsel en de ogen.
Het virus behoort tot de familie van de herpesviridae. Het virus van BCK is strikt celgebonden waardoor het niet lang kan overleven in de secreties die een dier verspreidt.
De natuurlijke gastheer bij BCK is het schaap. Bij deze diersoort verloopt de infectie subklinisch of m.a.w. zonder zichtbare symptomen. Het schaap is een bron van besmetting zowel voor runderen als voor herten. Virusoverdracht van rund naar rund of van hert naar hert komt niet voor. Hoe de infectie van schapen naar runderen of herten overgaat, is niet precies gekend maar intensief contact is wel noodzakelijk.
De ziekte komt vooral voor tijdens de stalperiode en bij runderen die ouder zijn dan drie jaar en die in contact komen met schapen. Meestal is er per bedrijf slechts één dier aangetast. De incubatieperiode varieert van 10 dagen tot 2 maanden. Bij zieke dieren is het virus in het bloed aanwezig in de witte bloedcellen.
Het ziektebeeld kan erg variëren omdat de aandoening zich kan voordoen onder 4 vormen. Bij de hyperacute vorm is er plots optreden van hoge koorts (boven 42°C), verlies van eetlust, erge depressie, ruw haarkleed, rillingen, verlies van melkgift en sterfte binnen de 24 uren na het begin van de symptomen. Bij dit peracuut verloop zijn de symptomen en de letsels weinig typisch. Bij de darmvorm ontstaan dezelfde ziektetekens maar treedt de sterfte niet zo vlug op. Er verschijnt vanaf 1 tot 2 dagen na de eerste ziektetekens een catarrale tot pseudomembraneuze ontsteking van de slijmvliezen van de muil, de neus, het spijsverteringsstelsel en het ademhalingsstelsel. Daarbij ontstaat er een waterige tot bloederige diarree. Er ontwikkelt zich verder een conjunctivitis, een verhoogde oogvloeiing en fotofobie. Sterfte volgt gewoonlijk 4 tot 7 dagen na het ontstaan van de eerste ziektetekens. De peracute vorm en de darmvorm worden vooral bij herten vastgesteld. Bij de kop- en de ogenvorm verloopt de ziekte nog iets trager. Deze vorm komt bij rundvee het meest voor; ook in onze streken is dit zo. Een paar dagen na het ontstaan van hoge koorts, verlies van eetlust en depressie verschijnt er neusuitvloei die in het begin sereus tot muceus is en later etterig wordt. Soms is er dan ook bloed bij.
De slijmvliezen in de neus zijn rood en gezwollen met talrijke puntbloedingen en met een purulent en gedeeltelijk necrotisch beslag belegd. Er vormen zich pseudomembranen in de neusgaten en de neusgangen alsook op de neusspiegel. Wanneer deze loskomen blijven er ulceraties over. De bovenste ademhalingswegen tot en met de trachea en de bronchen kunnen aangetast zijn.
Gelijkaardige veranderingen zijn te vinden in de muil en op de tong waardoor verhoogd speekselen, smekken en tenslotte een stinkende geur ontstaan. Ook het diepere spijsverteringskanaal kan aangetast zijn en dan is er koliek en een bloederige diarree. Bij de kop- en de ogenvorm blijft de bloederige diarree ook dikwijls achterwege.
Bij deze ziektevorm zijn de ogen duidelijk aangetast en is er een uitgesproken conjunctivitis met een sereuze en later etterige oogvloeiing. De ziekte veroorzaakt lichtschuwheid en tenslotte blindheid.
Bij vrouwelijke dieren ziet men vaak aantasting van de slijmvliezen van de geboorteweg en kan er zelfs nier- en blaasontsteking ontstaan. Er zijn ook gevallen waar manken en loskomen van de hoornrand van de hoeven ter hoogte van de kroonrand werden vastgesteld.
Naar het einde van de ziekte toe worden er regelmatig centrale zenuwstoornissen gezien. Deze bestaan uit excitatieverschijnselen, evenwichtsstoornissen, epileptiforme aanvallen en tenslotte coma. Histologisch ziet men een hersenvliesontsteking en een non-purulente encephalitis.
Bij de kop- en ogenvorm volgt sterfte 7 tot 14 dagen na het verschijnen van de eerste symptomen. Ook de huidvorm kan optreden en is gekenmerkt door exantheem of uitslag op de weinig behaarde delen van de huid en catarrale ontsteking van de ogen, de neus, de neusspiegel en de slijmhuid van de muil. Deze vorm komt zelden voor en verloopt mild.
Vermits de mortaliteit hoog is (90 tot 95% bij runderen, buffels, bizons en herten) speelt de actieve of de passieve immuniteit weinig rol.
Herstelde dieren ontwikkelen pas na enkele maanden geringe hoeveelheden neutraliserende antistoffen. Zij blijven maandenlang tot zelfs jarenlang virusdragers. Zo kunnen zij jaren later nog geïnfecteerde nakomelingen ter wereld brengen.
De diagnose moet meestal gesteld worden op basis van klinische, pathologische en histologische gegevens. Het sporadisch optreden, het ontbreken van een duidelijk besmettelijk karakter, het ontstaan van erge oogletsels en van centrale zenuwstoornissen zijn aanwijzingen voor BCK.
Een differentiële diagnose moet gemaakt worden met MKZ, BVD-MD, IBR-IPV en runderpest. Runderpest lijkt erg goed op BCK maar heeft een erg infectieus karakter. Alle lichaamsvochten zijn immers virushoudend. De incubatietijd is veel korter dan bij BCK, nl. 3 tot max. 10 dagen.
Een laboratoriumdiagnose van BCK kan gebeuren door witte bloedcellen uit ongestold bloed van verdachte runderen op een celcultuur te inoculeren. Bij een positieve diagnose ontstaat er een CPE, typisch voor herpesvirussen. Dan is er nog een virusidentificatie nodig. Deze kan uitgevoerd worden met de PCR-test door het virus aan te tonen in speekselstalen of in losgekomen epitheelstukjes van de lippen, de neusopeningen of de tong van verdachte runderen en door het virus aan te tonen in de witte bloedcellen uit ongestold bloed van deze verdachte runderen.
Belangrijk is dat zowel de epitheel- en de speekselstalen ,als de ongestolde bloedstalen (heparinebloedmonsters) zo vlug mogelijk na de afname aan het laboratorium worden overgemaakt.
Er bestaat geen doeltreffende behandeling voor deze aandoening.
De bestrijding bestaat er in onze streken in om het contact tussen schapen en runderen te vermijden. Op deze manier wordt de kans op een besmetting van het rundvee verminderd.







