Boviene virale diaree (BVD)
BVD kan zich op veel verschillende manieren manifesteren op een bedrijf. Afhankelijk van de immuniteit van het dier, de leeftijdscategorie, type BVD-virus, infectiedruk, … kan BVD aanleiding geven tot diarree, ademhalingsstoornissen, onvruchtbaarheid, abortus, mucosal disease, … Door de grote verscheidenheid aan symptomen wordt het belang van BVD op het bedrijf vaak onderschat.
Er zijn twee subtypes van BVD, namelijk type I en type II, die een verschillend ziektebeeld geven. Type II wordt geassocieerd met ernstige bloederige darmontsteking. Het type I virus komt meer voor. Het kan een uitbraak van diarree veroorzaken, maar kan daarnaast ook leiden tot onvruchtbaarheid, embryonale sterfte, mummificatie, abortus, misvormde kalveren, zwak geboren kalveren en immunotolerante, en permanent geïnfecteerde kalveren (IPI’s).
Binnen elk subtype is er nog een cytopathogene vorm en een niet-cytopathogene vorm. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van het uitzicht van een celcultuur (bij de cytopathogene stam zijn de cellen vernietigd). Infectie van een moederdier zonder antistoffen in de eerste helft van de dracht zal leiden tot een infectie van het kalf in de baarmoeder voordat het kalf een eigen immuunsysteem heeft opgebouwd. Het kalf herkent het virus niet als iets vreemds maar als lichaamseigen, waardoor er geen antistoffen tegen het virus worden opgebouwd. Wanneer het kalf levend ter wereld komt, vormt het kalf een permanente bron van virusuitscheiding, een zogenaamd “dragerkalf” of ‘IPI (immunotolerant permanent geïnfecteerd)’.
Wanneer zo’n kalf besmet wordt met een cytopathogene virusstam, ontwikkelt het kalf ‘mucosal disease’ of ziekte van de slijmvliezen. Mucosal disease uit zich onder de vorm van zweren ter hoogte van de muil, diarree en letsels tussen de klauwen. De ziekte is snel verlopen en is onbehandelbaar. Hieronder is schematisch weergegeven - in functie van leeftijd of productiestadium - welke gevolgen een BVD-infectie kan hebben.
| Leeftijd of productiestadium | Mogelijke gevolgen infectie BVD |
|---|---|
| Kalveren jonger dan 2 maanden | indien onvoldoende biest: fatale darmontsteking eventueel in combinatie met slijmvliesletsels indien voldoende biest: milde diarree |
| Kalveren ouder dan 2 maanden en jongvee | diarree (waterig tot bloederig) ademhalingsstoornissen symptoomloos |
| Volwassen (niet drachtig) | acute diarree symptoomloos |
| Volwassen (<120 dagen dracht) | acute diarree symptoomloos embryonale sterfte/abortus van het kalf congenitale afwijkingen van het kalf IPI kalf |
| Volwassen (100-150 dagen dracht) | acute diarree symptoomloos abortus van het kalf congenitale afwijkingen het kalf mogelijkheid IPI kalf |
| Volwassen (>120 dagen dracht) | acute diarree symptoomloos abortus/congenitale afwijkingen/geen effecten opmerking: indien het kalf geboren wordt, dan is het positief op BVD-antistoffen |
| IPI runderen | Mucosal disease (indien cytopathogene stam) |
Om na te gaan of een dier in contact is gekomen met BVD, kan onderzoek naar antistoffen verricht worden op gestold bloed. Vanaf 4 weken na infectie kunnen deze met de ELISA-techniek aangetoond worden. De antistoffen blijven lang aanwezig en zijn in staat om bescherming te bieden tegen herinfecties met eenzelfde of gelijkaardige virusstam. Later contact met het virus kan zorgen voor een boosterreactie. Ook op tankmelk kan antistoffenonderzoek gedaan worden. Wil men echter nagaan of het dier het virus uitscheidt, dan kan dit via het zogenaamde antigenonderzoek. Dit antigenonderzoek kan gebeuren via een ELISA-test op een ongestold of gestold bloedstaal en op een oorweefselstaal of earnotchstaal, of via een PCR-test op ongestold bloed. De aanwezigheid van maternale antistoffen in het bloedstaal kan het resultaat van de ELISA-test beïnvloeden (vals negatief resultaat). Bij een earnotchstaal is deze interferentie niet aanwezig. Daarom wordt bij individueel onderzoek op bloed de PCR-test veiligheidshalve aangeraden tot op de leeftijd van 6 maanden. Bij een PCR-test wordt het genetisch materiaal van het virus opgezocht. Ook op tankmelk kan men een PCR-test laten uitvoeren.
Bij een vermoeden van sterfte of abortus ten gevolge van BVD kunnen de getroffen dieren ter autopsie worden aangeboden. Bij deze dieren voeren we een ELISA-antigentest (dus onderzoek naar het virus zelf) uit op de milt.
Een bedrijf vrij krijgen en vrij houden van BVD houdt in essentie het volgende in:
Stap 1: Bioveiligheid en aankoopstrategie
In de eerste plaats is het belangrijk altijd de nodige bioveiligheidsmaatregelen te nemen, een goede hygiëne en bioveiligheid op het bedrijf te verzekeren en contact met buurtweiden zoveel mogelijk te vermijden.
Bij aankoop van dieren dienen de nodige aankooponderzoeken (binnen het aankoopprotocol van DGZ) en quarantainemaatregelen gerespecteerd te worden. BVD is ook een koopvernietigend gebrek wanneer het aangekochte dier een permanente drager is. Permanente dragers zijn dieren die positief testen bij twee opeenvolgende BVD Ag-onderzoeken met minstens 21 dagen tussentijd.
Stap 2: Monitoring van de situatie met behulp van een zesmaandelijkse steekproef
Er wordt best tweemaal per jaar een zogenaamde steekproef of jongveevenster genomen van de dieren. Dit houdt een bloedanalyse in op antistoffen van 8 à 10 dieren met een leeftijd van 8 tot 15 maanden. Bij een negatieve steekproef kan men besluiten dat er op het moment van staalname geen actieve BVD-circulatie aanwezig is. Als deze steekproef positief is, kan men BVD-circulatie vermoeden en moeten eventuele dragers opgespoord worden (zie stap 3).
Stap 3: Opsporen en verwijderen van de dragers
Nadat BVD-circulatie op een bedrijf is vastgesteld, is het belangrijk om de dragers op te sporen. Hiertoe moet van alle runderen op het bedrijf bloed genomen worden. Cruciaal hierbij is dat geen enkel dier vergeten wordt! De stalen ongestold bloed worden vervolgens per 30 gepooled en onderzocht aan de hand van een PCR-test. Indien een positieve pool wordt teruggevonden, kunnen de stalen individueel onderzocht worden met een ELISA-antigentest. De stalen van dieren jonger dan 6 maanden, worden best in één gezamelijke pool onderzocht. Na individueel testen aan de hand van de ELISA-test, kan er ter controle nogmaals een PCR-test verricht worden op die pool na het verwijderen van de positief geteste stalen. Dit omdat er wegens de mogelijke aanwezigheid van maternale antistoffen vals-negatieve resultaten bij de ELISA-antigentest kunnen voorkomen.
Stap 4: Opvolgen van alle pasgeboren kalveren gedurende 1 jaar na verwijderen van laatste drager
Na het verwijderen van de dragers kunnen er nog tot een jaar dragerkalveren geboren worden. Om te vermijden dat er opnieuw dragers op het bedrijf aanwezig zijn, moeten de pasgeboren kalveren onderzocht worden. Dit kan op verschillende manieren:
1. Vooraleer ze biest opnemen, kan er bij de kalveren bloed genomen worden voor een ELISA-antigentest op ongestold bloed.
2. Staalname via earnotch: tegelijk met het plaatsen van het identificatieoormerk wordt er ook een zogenaamd earnotchstaal of oorweefselstaal genomen en gecollecteerd. Dit staal wordt dan onderzocht op antigen via de ELISA-antigentest. Deze staalnamemethode biedt tal van voordelen:
- De staalname is snel en eenvoudig.
- De analyses op het earnotchstaal zijn zeer betrouwbaar.
- Door de combinatie met het ‘merken’ van het kalf is het risico op foutieve identificatie van het staal minimaal.
- Er is geen interferentie met biestmelkantistoffen.
- Interpretatie van het resultaat is eenduidig: als de earnotchanalyse positief is, wordt het kalf als sterk verdachte drager beschouwd en dient het bij voorkeur opgeruimd te worden. Is het negatief, dan wordt het kalf levenslang als negatief beschouwd en komt het in aanmerking voor een BVD-certificaat.
Stap 5: Vaccinatie
Als laatste stap in de bestrijding van BVD is er de vaccinatie. Aangezien BVD wijdverspreid is, is het belangrijk de veestapel te beschermen. Een goede bescherming via vaccinatie kan er mee helpen voor zorgen dat de gevolgen van een BVD-besmetting beperkt blijven.
Koopvernietiging
Sinds februari 2009 is BVD opnieuw opgenomen in de lijst van koopvernietigende gebreken. De voorwaarden voor de koopvernietiging zijn de volgende:
- Het dier test tweemaal positief of NI (niet interpreteerbaar) op stalen genomen met een tussentijd van 21 dagen. Hierbij mag voor het eerste staal de PCR- of ELISA Ag-test gebruikt worden, voor het tweede staal enkel de ELISA Ag-test.
- De rechtsvordering binnen de 30 dagen na de aankoop (dag van aankoop niet meegerekend) moet ingeroepen worden.
- Belangrijke opmerking: negatief of NI-resultaat voor de Ag ELISA-test op een staal van een dier jonger dan 6 maanden geeft geen uitsluitsel.









