Brachyspira
Er is nogal wat discussie over het belang van aviaire intestinale spirochaetose (AIS) bij pluimvee. Brachyspira, vroeger Treponema of Serpulina genoemd, is een spiraalvormige gramnegatieve, anaërobe kiem die de oorzaak kan zijn van verminderde productie. Men vindt de kiem echter ook in tomen die goed presteren. Er zijn dus pathogene (ziekmakende) en niet-pathogene soorten Brachyspira.
Bijkomende factoren kunnen bovendien een rol spelen in het klinisch manifest worden van de ziekte zoals stress bij begin van de leg of tijdens de rui, de voedersamenstelling en grondhuisvesting. Het is dus moeilijk in te schatten wat het economisch belang is, vooral van subklinische infecties.
In Nederland, Australië en het Verenigd Koninkrijk heeft men aangetoond dat op ongeveer 70% van de legbedrijven Brachyspira voorkomt en dat het vaak om pathogene types gaat.
Welke symptomen kunnen wijzen op besmetting met Brachyspira?
AIS is een chronische ziekte, waarbij de darm - vooral de blinde darm – geïnfecteerd is met Brachyspira. Hierdoor wordt het darmepitheel beschadigd en ziet men diarree, besmeurde cloaca’s en typische lichtbruine, schuimige blindedarmmest verspreid in het hok.
Bij leggende hennen neemt het aantal bevuilde eieren toe en het strooisel wordt natter. Hoewel opfokhennen al besmet kunnen zijn, ziet men meestal symptomen optreden als de dieren naar de piekproductie toegaan. Soms wordt de piek helemaal niet bereikt ofwel gedurende een te korte periode, en blijft de productie ondermaats als er niet behandeld wordt. Er kunnen legdalingen van 5 tot zelfs 10% optreden. Bij herinfectie ziet men telkens een knik in de legkurve.
De aandoening komt zowel bij moederdieren als bij leghennen voor. Ook bij mestkuikens en kalkoenen is de ziekte beschreven: Brachyspira-kiemen kunnen darmstoornissen veroorzaken met diarree en nat strooisel tot gevolg. Er treedt groeivertraging, verhoogde voederconversie op en de uniformiteit van de toom vermindert.
Productiecijfers van braadkippen afkomstig van met Brachyspira besmette ouderdieren zijn slechter dan van niet-besmette ouderdieren. Besmette dieren scheiden de kiem uit via de feces en bij huisvesting op de grond wordt op deze manier het strooisel een blijvende bron van herinfectie.
Bij autopsie ziet men niet-specifieke letsels zoals bleke kammen, bleke eifollikels en darmontsteking. Opvallend zijn de blinde darmen: dikwijls erg opgeblazen, en gevuld met lichtbruine, te vloeibare of schuimige inhoud.
Om de diagnose van AIS te bevestigen kan men een kleuring maken van de blindedarminhoud of een immunofluorescentietest doen om de bacteriën op te sporen. Hiermee kunnen de specifieke soorten echter niet aangetoond worden.
Het kweken van Brachyspira is moeilijk en vergt veel tijd: drie à tien dagen, wat voor
diagnostiek te traag is.
Met PCR kan men snel verschillende soorten Brachyspira aantonen, en een onderscheid maken tussen pathogene en niet-pathogene stammen. Bij pluimvee vindt men een zevental species. B.pilosicoli, B.intermedia en B.alvinipulli worden beschouwd als pathogeen bij pluimvee. B.hyodysenteriae wordt ook
aangetroffen bij pluimvee maar er is nog discussie of deze soort pathogeen is of niet.
Van B. innocens neemt men aan dat deze niet-pathogeen is voor pluimvee.
Verschillende species Brachyspira kunnen samen aanwezig zijn, ook bij symptoomloze dragers.
De PCR-test kan uitgevoerd worden op mest verwijderd uit de blinde darm bij autopsie, of op een staal van blindedarmmest genomen in de stal: men neemt een vers staal van de typische schuimige lichtbruine hoopjes, in een goed afgesloten recipiënt.
Er is 3 gram feces nodig; het staal moet koel naar het labo gestuurd worden.
Deze test differentieërt: B.pilosicoli , B.intermedia/ B.innocens, B.hyodysenteriae en
andere Brachyspira species.
Welke behandelingsmethoden staan ter beschikking?
AIS is een chronische aandoening en als er klinische symptomen opduiken, is dit mede te wijten aan andere complicerende factoren. Om het probleem ten gronde aan te pakken is het dan ook belangrijk andere stressfactoren of managementfouten te corrigeren.
Brachyspirae zijn effectief te behandelen met antibiotica: pleuromutilines en tetracyclines. Koppels behandeld in een vroeg stadium kunnen terug een normaal legpercentage bereiken. Hoe langer de infectie aanhoudt hoe meer schade berokkend is aan de darm: volledig herstel wordt dan moeilijker.
Bij toedienen van antibiotica is het belangrijke de juiste dosering en behandelingsduur in acht te nemen om resistentie te voorkomen. Na drie à vier weken is de kans op herinfectie vanuit de omgeving echter groot.
Omdat de infectie een daling van de nutriëntenopname veroorzaakt, is het aangewezen extra vitaminen, mineralen en sporenelementen toe te dienen
Hoe kan men de ziekte voorkomen?
Om besmetting van andere koppels op het bedrijf of van een volgende ronde te voorkomen, moeten de regels voor goede hygiëne en biobeveiliging strikt in acht genomen worden. Contact met besmet strooisel of mest moet vermeden worden.
Tijdens de leegstand moet het bedrijf goed gereinigd en ontsmet worden.
Wilde vogels, knaagdieren en vliegen spelen mogelijk ook een rol in verspreiding van de kiem en moeten dus onder controle gehouden worden. In de mest overleeft Brachyspira bij pluimvee slechts 48 à 72u bij 4°C, maar of de kiem in de grond of uitloop langer overleeft, werd nog niet onderzocht.







