CAE (geiten)
CAE of voluit Capriene Arthritis en Encephalitis, wordt veroorzaakt door een lentivirus. Kenmerkend voor dit virus is dat het een traag verloop kent. In de meeste gevallen worden de lammeren kort na de geboorte besmet via de biestmelk of eventueel door bloed van de moeder bij een lastige verlossing. Pas na twee tot vier jaar zijn de eerste ziektetekens te zien. Overdracht van besmetting tussen volwassen geiten komt eveneens voor en heeft te maken met het intense contact dat geiten met elkaar hebben. Ook gezamelijke voederbakjes, met speeksel bevuild, kunnen een bron zijn. De naam CAE wijst op het voornaamste ziektesymptoom: gewrichtsontsteking en hersenaantasting. De gewrichtsontsteking begint meestal aan de voorknieën. Dikke-knieënziekte is een synoniem. De knieën zijn in het begin niet pijnlijk. Gedurende maanden tot een jaar kunnen de zwellingen afnemen en weer toenemen. Finaal kruipen de geiten op hun knieën en zijn dan sterk vermagerd.
Bij nogal wat geiten gaat het virus ook naar de uier met vorming van vleesuiers, vaak eenzijdig. De uier is niet pijnlijk maar de productie gaat sterk naar beneden. Allicht is dit voor het melkgeitenbedrijf de grootste verliespost naast het gestegen opruimpercentage.
De hersenvorm kan bij jonge geiten van een tot zes maanden gezien worden. De eerste tekens zijn een abnormale, ongecoördineerde stand van de achterpoten. Geleidelijk kan de geit moeilijker lopen tot ze finaal niet meer op kan.
Zoals reeds aangehaald, zijn het de besmette geiten die het via de biestmelk doorgeven aan hun nakomelingen. Deze zullen het op hun beurt doorgeven aan hun lammeren. Op deze manier kunnen na verloop van jaren veel geiten besmet raken in een kudde.
De uiterlijke tekenen zijn een eerste aanwijzing.
Met een ELISA-test kunnen de antistoffen opgespoord worden. Hiertoe dient een serumstaal genomen te worden. Aangezien de antistofopbouw jaren kan duren heeft een individueel onderzoek van één geit weinig waarde. Pas als alle dieren na twee bloedonderzoeken negatief zijn voor antistoffen kan redelijkerwijs aangenomen worden dat de kudde vrij is van besmetting.
Naast de ELISA is ook een immunodiffusietest (ID) mogelijk. De ID-test is duidelijk minder gevoelig dan de ELISA maar wel specifieker. Dat wil zeggen dat een antistof -positieve ID- uitslag met zekerheid CAE aantoont.
Ten slotte is er ook een PCR-test die uitgevoerd wordt op ongestold bloed. Hiermee wordt het virus zelf aangetoond, wat in twijfelgevallen soms een oplossing kan bieden.
Behandeling is onmogelijk. Alle geiten met symptomen sterven.
Preventie kan door de besmetting op het bedrijf uit te roeien. Dit kan door de antistof-positieve geiten en hun lammeren te verwijderen. Regelmatig, zes- tot twaalfmaandelijks bloedonderzoek, is hierbij nodig om tijdig nieuwe dragers op te sporen. Moederloze opfok van lammeren is een hulpmiddel om een negatieve groep op te bouwen die later de kudde zal vervangen. Moederloze opfok vraagt veel discipline en lammeren die toch gezoogd hebben, mogen niet aangehouden worden. In zwaar besmette bedrijven is moederloze opfok toch nog een risico.
Eens de kudde vrij is van CAE kan men deelnemen aan een vrijwillig gereglementeerd programma voor de bestrijding van CAE.









