Leverbot
Leverbot of Fasciola hepatica is een parasiet die in onze streken frequent voorkomt bij runderen en andere grazers. De parasiet doorloopt verschillende larvaire stadia en heeft de weideslak of poelslak als tussengastheer. Volwassen leverbotten zijn een soort platwormen met een lengte van 2 à 4 cm. Ze leven in de galgangen van de gastheer, waar ze - door vorming van verkalkingen (de zogenaamde pijpenstelenlever) - een chronische ontsteking veroorzaken.
Volwassen leverbotten produceren per dag tot 7000 eieren die via de galgangen in de mest terechtkomen en zo intermitterend uitgescheiden worden. Men neemt aan dat de uitscheiding van eieren het grootst is na de middag.
Besmettingsroute
Cruciaal bij het in stand houden van de leverbotcyclus is de aanwezigheid van de poelslak als tussengastheer. De poelslak komt vooral voor op vochtige weiden, langs beken, poelen en sloten. Strenge winters hebben weinig invloed op de poelslak. Enkel droogte kan er voor zorgen dat ze in aantal verminderen. Op elke weide waar leverbot voorkomt, is er een reserve aan overwinterde leverboteieren en poelslakken. Bijgevolg zijn er twee ontwikkelingscyclussen per jaar te onderscheiden, namelijk de ‘winterinfectie’ waarbij de overwinterde besmette slakken een rol spelen en de ‘zomerinfectie’ die veroorzaakt wordt door de overwinterde eieren. Runderen en andere grazers kunnen met andere woorden gedurende het hele weideseizoen besmet raken. In het begin van het weideseizoen speelt de winterinfectie een rol: dieren worden besmet via cysten uit de voorraad overwinterde besmette slakken. De zomerinfectie treedt op van augustus tot oktober. Dan zijn het de overwinterde eieren van vorig weideseizoen die vanaf half juni de eerste slakken gaan besmetten, die op hun beurt vanaf augustus de besmettelijke cysten gaan vrijgeven. In onze streken is de zomerinfectie belangrijker dan de winterinfectie. Deze laatste kan echter belangrijker worden bij natte, zachte winters en dan ook zijn effect hebben op een verhoogde zomerinfectie. Bij vochtige , warme zomers zal deze laatste uiteraard weer sterk winnen aan belang.
Belang
Leverbot, of distomatose, is vaak een onderschat probleem. Door de aard van de letsels in de lever kan een brede waaier van symptomen ontstaan. Die variëren van (sub)klinisch melkproductieverlies, vermageren, slechte groei van jongvee, diarree tot sterfte. Het voornaamste gevolg voor de veehouder is dus economische van aard: een verminderde melk- en vleesproductie, en de afkeuring van levers in het slachthuis. Tijdens de stalperiode kan een rund zich min of meer herstellen van een chronische leverbotinfestatie. Toch wordt er heel weinig weerstand opgebouwd waardoor de dieren ieder nieuw seizoen besmet kunnen raken.
Mestonderzoek
De mest wordt microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van leverboteieren. Mestonderzoek kan in principe het hele jaar door, maar is het nuttigst tussen januari en mei. Dan is de uitscheiding in de mest immers het grootst is en krijgt men een idee van de mate van zomerinfectie van het voorbije seizoen. Omwille van de intermitterende uitscheiding is het uiteraard best om meerdere dieren uit de groep (minimum vijf) te bemonsteren. Het aantonen van leverboteieren bij één of meerdere dieren duidt op infestatie in de gehele groep.
Aantonen van antistoffen in bloed(serum) en tankmelk
Een leverbotinfestatie geeft aanleiding tot het vormen van antistoffen in het bloed en de melk. Deze antistoffen zijn aantoonbaar tot 180 dagen na het verdwijnen van de infestatie (bv. na behandeling). Ook bij deze test is het best meerdere dieren (minimum 5, bij voorkeur 10) te bemonsteren om een idee te krijgen van de graad van infestatie in de groep. Bij melkvee bestaat de mogelijkheid om de tankmelk te laten onderzoeken.
Biochemisch bloedonderzoek
Om een goede evaluatie te krijgen van leverbeschadiging of leverinsufficiëntie kan men het gehalte gammaglutamyltransferase (GGT) bepalen. Een te hoog GGT-gehalte gedurende de periode dat de jonge leverbotten door de lever migreren, kan duiden op een leverbotinfectie. Voor een meer exacte diagnose dient dit onderzoek aangevuld te worden met serologie of mestonderzoek.
Lijkschouwing
Uiteraard kan men bij gestorven dieren (bv. in het slachthuis) de lever zelf onderzoeken om een diagnose te stellen.
Behandeling
Belangrijk bij de bestrijding van leverbot is de dieren zelf leverbotvrij te maken, zodat er geen leverboteieren terechtkomen op de weide. Om te weten of een behandeling nodig is, moet men eerst duidelijkheid krijgen over de leverbotsituatie van het bedrijf. Dit kan met behulp van regelmatige controles van bloedstalen en tankmelk, of mestonderzoek. De keuze van bestrijdingsmiddelen hangt af van de werkzaamheid en wachttijden van het product. Sommige bestrijdingsmiddelen doden enkel de volwassen botten, andere ook de larvaire stadia. Voorzichtigheid is geboden bij het behandelen van melkvee. De medicatie hiervoor geregistreerd en aldus toegelaten is beperkt. Het is noodzakelijk de bijsluiter te raadplegen en deze richtlijnen goed op te volgen. Er worden steekproefsgewijs tankmelkstalen gecontroleerd op residuen van antiparasitaire middelen.
Preventie
Preventie tegen leverbot dient op twee fronten gevoerd te worden. In de eerste plaats dient men de aanwezigheid van de poelslak als tussengastheer aan te pakken. Dit kan gebeuren door op de weiden drinkbakken te installeren, en poelen en beken af te sluiten. Natte weiden kunnen gedraineerd worden en zeker in het voorjaar gemaaid, alvorens te beweiden. Slakkenbestrijding op de weiden zelf kan eventueel gebeuren met calciumcyanamide in het voorjaar, hoewel men hier enkel de winterinfectie mee aanpakt.
In de tweede plaats is het belangrijk de dieren zelf vrij te houden van leverbot. Jaarlijkse monitoring na het opstallen via bloed of tankmelk (zie Parasitair profiel Melkvee) is daarbij zeer belangrijk. Daarnaast kan het voor leverbotgevoelige regio’s belangrijk zijn om een jaarlijkse winterbehandeling uit te voeren bij de volledige veestapel of een systematische behandeling tijdens de droogstand bij melkvee.

Lees ook








