Paratuberculose bij kleine herkauwers
Paratuberculose is een bacteriële aandoening, veroorzaakt door Mycobacterium avium subspecies paratuberculosis MAP. Het is een bacterie die lang in de buitenwereld kan overleven (mest, weide, …).
Paratuberculose vormt in Vlaanderen vooral een probleem op de grotere melkgeitenbedrijven. Ook schapen zijn gevoelig voor paratuberculose (gevallen in Engeland, Australië, …), maar in Vlaanderen zijn er tot nu toe geen bevestigde gevallen.
Indien jonge geiten in de eerste levensweken besmet worden, dan komt het in veel gevallen tussen het 2de en 3de levensjaar tot klinische paratuberculose. Jonge lammeren van enkele weken oud zijn gevoeliger dan oudere lammeren. Tot de leeftijd van 6 maanden kan de infectie aanslaan. In zeldzame gevallen kunnen ook oudere dieren nog besmet raken bv. bij erge infectiedruk en overbezette stallen.
Biest en melk zijn de besmettingsbron bij uitstek. MAP kan in de melk uitgescheiden worden. Anderzijds is mest van uitscheiders een belangrijke externe bron van MAP-contaminatie door directe overdracht en door contaminatie van de melk tijdens het melken. In tegenstelling tot het rund, waar diarree een van de eerste symptomen is, uit paratuberculose zich bij de geit met vermageren en atrofie van achterhand- en halsspieren. Diarree kan voorkomen op het eindstadium van de klinische fase.
Serologisch onderzoek
Door de langdurige incubatietijd (meerdere jaren) zijn de circulerende antistoffen met de ELISA-test meestal slechts vanaf de leeftijd van 2 jaar aantoonbaar. Meestal is dit nog voor er kiemen in de mest uitgescheiden worden.
Bemonstering:
- 10 ml gestold bloed;
- Bij klinisch verdachte dieren;
- Bij aankoop vanaf de leeftijd van 2 jaar;
- Halfjaarlijks tot jaarlijks alle dieren ouder dan 2 jaar screenen nadat paratuberculose op het bedrijf werd vastgegesteld;
- Volledige identificatie op het aanvraagformulier vermelden.
Interpretatie van het resultaat:
- Een seropositief resultaat is steeds ernstig op te vatten. Vals positieve resultaten zijn zeldzaam. Aangezien de ziektetekens pas later optreden, is een veehouder niet erg geneigd om goed producerende dieren op te ruimen.
- De ELISA-test is echter niet zo gevoelig, waardoor vals negatieve resultaten, zeker in het begin van een infectie, vaker voorkomen, m.a.w. een seronegatief dier kan nog positief worden. Hieraan moet zeker bij een aankooponderzoek gedacht worden.
Bacteriekweek en kleuring
Aantonen van de bacterie in mest door bacteriekweek, ofwel aantonen van de zuurvaste bacteriën met de Ziehl Neelsen-kleuring.
Bemonstering:
- Mest van klinisch zieke dieren of seropositieve dieren;
- Als ondersteuning van het opruimbeleid bij bedrijfsscreening.
Interpretatie van het resultaat:
- Het aantonen van de zuurvaste kiem (kleuring of cultuur) is diagnostisch. De cultuurmethode is echter veel gevoeliger dan de kleuring. Kleuring kan enkel gebruikt worden bij klinisch zieke dieren. Kiemuitscheiders zijn zeldzaam voor de leeftijd van 2 jaar.
PCR-test
Aantonen van de kiem door isolatie van kernpartikels van de kiem met de polymerase chain reaction (PCR).
Bemonstering:
- Mest of melk van klinisch verdachte of seropositieve dieren.
Interpretatie van het resultaat
- Een postief resultaat is diagnostisch. De gevoeligheid is vergelijkbaar met de cultuur.

Zuurvaste bacillen in darmafkrabsel geit
De bestrijding moet steunen op een verbetering van hygiënische maatregelen en serologische screening, en opruiming van besmette dieren.
Bij vaststelling van een paratuberculosegeval, is het aangewezen om een serologische screening uit te voeren bij alle geiten ouder dan 12 maanden.
Incidentie < 5%
- Afzonderen en opruimen van alle seropositieve dieren en hun nakomelingen. Eventueel bevestigen van seropositieve dieren met faecescultuur of PCR (mengmest van 2 dieren).
- Vroegtijdig onderkennen van eerste klinische tekenen en opruimen van deze dieren, bevestigen met bloedonderzoek - faeceskweek. Bij twijfel kunnen dieren een maand apart gezet worden om te zien of de symptomen toenemen.
- Faeces-cultuur van alle dieren ouder dan 18 maanden éénmaal per jaar, en dit tot er geen positieve dieren meer zijn, minimum 5 jaar.
Incidentie > 5%
- Om de 6 maanden serologie van dieren ouder dan 12 maanden en opruimen van de positieve dieren met nakomelingen.
- Jaarlijks faeceskweek van dieren ouder dan 18 maanden.
De bestrijding van paratuberculose is duur en vaak ontmoedigend. De effecten zijn pas op langere termijn zichtbaar.
Bij een hoge infectiegraad is moederloze opfok en vervangen van de besmette kudde
na 18 maanden te overwegen.
Moederloze opfok kan met:
- runderbiest (paratuberculosevrije koeien!) of kunstbiest of gepasteuriseerde geitenbiest (op 56°C gedurende 1 uur. Volledige afdoding van MAP is niet gegarandeerd);
- geen mengbiest maken;
- kunstmelk voor de verdere opfok;
- alle lammeren moeten bij de geboorte opgevangen worden, geen contact met moeder;
- opfok volledig gescheiden van de besmette kudde.
Regelmatig moet er een serologische screening gebeuren van de nieuwe jonge kudde.
Elk plan van aanpak moet samengaan met het verbeteren van de hygiëne.







