Salmonella bij pluimvee
Salmonellose is een infectie, veroorzaakt door de Salmonellabacterie.
Bij Salmonellose van pluimvee dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de gastheerspecifieke en de niet-gastheerspecifieke Salmonella’s die ook zoogdieren en de mens kunnen besmetten (zie ook: Salmonella bij de mens). Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum behoren tot de Salmonella’s die zeer pathogeen zijn voor pluimvee. De niet speciespecifieke Salmonella’s worden gegroepeerd onder de benaming paratyphus. Kenmerkend voor paratyphusinfecties is dat deze in principe beperkt blijven tot de darm en bij de gastheer enkel misselijkheid en diarree veroorzaken. Een groot aantal paratyphuskiemen verwekken bij pluimvee slechts subklinische infecties. De dieren kunnen weliswaar langdurig drager blijven. Vandaar dat pluimvee vaak wordt beschouwd als een reservoir voor Salmonella.
Salmonellabacterie
Salmonella is een Gramnegatief staafje (0,7-1,5 bij 2,0-5,0 µm), meestal beweeglijk en voorzien van flagellen (met uitzondering van Salmonella Gallinarum en Salmonella Pullorum, die niet-beweeglijk zijn). Deze kiem is facultatief anaeroob, facultatief intracellulair en behoort tot de familie der Enterobacteriaceae, zoals o.a. ook E. coli. De zoönotisch belangrijke stammen behoren tot de subspecies Salmonella enterica subspecies enterica die verder op basis van antigenische eigenschappen wordt onderverdeeld in meer dan 2500 serovars met verschillende pathogeniciteit. Bij zeldzame serotypes met weinig of geen klinisch belang spreekt men ook van ‘exotische stammen’. Meestal wordt de naamsaanduiding beperkt tot de serovar, bv. Salmonella Agona.
Sommige serovars zijn gastheerspecifiek en kunnen hun gastheer ernstig ziek maken zoals S. Pullorum en S Gallinarum bij pluimvee. Andere Salmonella’s zijn niet-gastheerspecifiek, maar kunnen wel gastro-intestinale aandoeningen veroorzaken bij meerdere diersoorten, waaronder de mens, en zijn verantwoordelijk voor voedselgerelateerde zoönotische Salmonellose (bv. Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium).
Salmonella Pullorum
Salmonella Pullorum is de verwekker van ziekte Pullorum. Dit was de eerste belangrijke besmettelijke ziekte die bij het begin van de industrialisatie van de pluimveehouderij zware verliezen heeft veroorzaakt. Het is ook de eerste ziekte die op grote schaal systematisch werd bestreden. De ziekte kan voorkomen bij kip, kalkoen en parelhoen. Zware rassen zijn gevoeliger dan lichte rassen. De ziekte heeft op dit moment enkel nog een historische betekenis voor de pluimveesector. Er kunnen nog gevallen voorkomen in de hobbysector.
Salmonella Gallinarum
De ziekte van Klein of ‘Fowl Typhoid’ wordt veroorzaakt door Salmonella Gallinarum. De aandoening komt nog geregeld voor in tropische en subtropische gebieden. Sporadisch wordt nog een uitbraak vastgesteld in België en omliggende landen.
Typhoid komt voor bij verschillende vogels maar vooral bij kip en kalkoen. De bacterie verspreidt zich vooral via mest en stof. Overdracht via het ei is theoretisch mogelijk, maar gebeurt in de praktijk zelden door het acute verloop met snelle sterfte. Hennen besmetten zich via de bek of eventueel via de luchtwegen. Ongedierte kan een rol spelen in de verspreiding tussen bedrijven, als drager (bv. ratten) maar ook door versleping van mest of stof (bv. vliegen).
Salmonella Gallinarum is normaal gevoelig voor desinfectiemiddelen, maar overleeft goed indien beschermd door organisch materiaal zoals eiwit of mest. Ook in voerresten of ongedierte (muizen, insecten, bloedluizen) kunnen ze een wekenlange leegstand overleven. Zo is bekend dat een geïnfecteerde rat de kiem tot 4 maanden via de ontlasting kan blijven uitscheiden.
De groei van deze kiem kan gebeuren bij een temperatuur tussen 5 en 45°C, maar de optimale groeitemperatuur ligt op 37°C. De kiemen worden niet gedood door bevriezing. Dagelijks bevriezen en ontdooien overleven ze wekenlang. Salmonella's overleven dus goed bij normale stal- en buitentemperaturen.
Salmonella is een bacterie die goed groeit op selectieve media en kan aangetoond worden door middel van bacteriologisch laboratoriumonderzoek. Gezien de mogelijke aanwezigheid van moeilijk te cultiveren, subletale Salmonellakiemen, wordt eerst een vooraanrijking uitgevoerd in gebufferd pepton. Vervolgens wordt een aanrijking gedaan, die selectief de Salmonellakiemen aanrijkt en andere contaminanten onderdrukt. Het staal kan naast Salmonellakiemen immers ook een uitgebreide secundaire flora bevatten. De isolatie (volgens ISO-norm 6579) neemt verschillende dagen in beslag.
Als het staal positief is, wordt bepaald welk type Salmonella aanwezig is (typering bij CODA).
Het serotype bij Salmonella wordt gedefinieerd door een associatie van somatische O-antigenen, flagellaire H-antigenen en oppervlakte-antigenen (Vi) volgens het schema van Kauffmann en White. Voor de eerste gekarakteriseerde O-groepen gebruikte men de letters van het alfabet; nadat alle letters opgebruikt waren ging men verder met cijfers (van 51 tot 67). Thans raadt men het gebruik van cijfers aan; de letters worden voorlopig nog tussen haakjes geplaatst: voorbeeld O:4(B); O:18(K).
De verschillende serotypes worden dan weer onderverdeeld in serogroepen: van A t.e.m. E. Dit heeft zijn belang met het oog op de specificiteit van de gebruikte serologische test. Zo behoort bv. Salmonella Enteritidis tot groep D en Salmonella Typhimurium tot groep B.
Er bestaan nog meerdere technieken om de types verder onder te verdelen, zoals faagtypering, plasmide-analyse, DNA-typering, enz. Deze technieken hebben nut bij epidemiologisch onderzoek, omdat men op die manier bijvoorbeeld kan vaststellen welke types op een bedrijf aanwezig zijn/blijven over langere periodes, wat het verband is tussen types aanwezig op de bedrijven en aangetroffen in de slachthuizen enz.
Goede hygiëne
Om Salmonellabesmettingen in het algemeen te bestrijden en te voorkomen, is een goede hygiëne van het grootste belang! Essentieel hierbij zijn maatregelen met betrekking tot algemene hygiëne, bioveiligheid en ongediertebestrijding.
Meer info hierover vindt u in de brochure Salmonella Actieplan.
Vaccinatie
Om zowel het aantal humane infecties met Salmonella Enteritidis als met Salmonella Typhimurium nog te doen dalen, wordt er gevaccineerd bij leghennen en moederdieren. De vaccinatie tegen Salmonella Enteritidis is verplicht en de vaccinatie tegen Salmonella Typhimurium wordt aangeraden.
Op de website van het FAVV vindt u meer informatie over de salmonellabestrijding, o.a. de omzendbrieven voor de braadkippen-, de leghennen- en fokpluimveehouders.

Lees ook








