Schmallenbergvirus
Het Schmallenbergvirus is een nieuw virus dat behoort tot de groep van de orthobunyavirussen. Het werd eind november 2011 in Duitsland voor het eerst geïsoleerd uit bloedstalen van runderen met koorts, milkdrop en stijve gang. De eerste positieve gevallen werden vastgesteld in het dorp Schmallenberg in Noord Rijnland-Westfalen.
Tot de groep van orthobunyavirussen behoren onder andere de voor herkauwers gekende virussen Shamonda, Aino en Akabane, die aangeboren afwijkingen veroorzaken. Deze virussen zijn arbovirussen en ze komen voor in Afrika, Azië en Australië. Ze worden overgedragen via culicoides of kriebelmuggen (kleine muggen waarvan zeer veel verschillende soorten bestaan, die onder andere ook verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van blauwtong). Het meest bekende virus is het Akabanevirus dat voor het eerst in Japan werd ontdekt bij runderen met abortus en congenitale misvormingen. Het Schmallenbergvirus is 70% homoloog aan Akabane en Aino en 96% homoloog aan Shamonda en wordt vermoedelijk ook overgedragen via kriebelmuggen.
Symptomen
De orthobunyavirussen veroorzaken meestal geen tot milde klinische symptomen, maar bij drachtige dieren kunnen ze – afhankelijk van het tijdstip van infectie – abortus of ernstige congenitale misvormingen veroorzaken. Het Schmallenbergvirus is echter ontdekt nadat in de periode augustus – oktober 2011 in Nederland, Duitsland en België bij volwassen rundvee onverklaarbare symptomen van koorts, milkdrop, neusvloei en diarree werden vastgesteld. In een latere fase werd het uiteindelijk gelinkt aan ernstige aangeboren misvormingen bij lammeren en ondertussen ook bij kalveren. Ook geiten kunnen aangetast worden, maar deze zijn vermoedelijk minder gevoelig in vergelijking met schapen en runderen. Voor zover gekend zijn andere dieren ongevoelig voor het Schmallenbergvirus en het virus zou bovendien geen enkel gevaar inhouden voor de volksgezondheid.
Tot nu toe heeft het zich dus onder 2 klinische vormen getoond bij schapen en runderen:
- In de periode van acute besmetting – die overeenkomt met de periode van activiteit van de infectieuze kriebelmuggen (juli – oktober) – werd bij melkvee (hoge) koorts (40,5°C), gedaalde melkproductie, neusvloei en (voornamelijk in Nederland) ernstige diarree vastgesteld.
- In Nederland en België zijn er ook verschillende gevallen gemeld van lammeren die dood of levend geboren werden met congenitale afwijkingen aan de ledematen, de nek en de hersenen. Deze vorm is het gevolg van een infectie tijdens de dracht.
Lammeren zouden vooral gevoelig zijn indien ze besmet worden tussen dag 20 en dag 50 van de dracht. Bij kalveren zou een infectie tijdens de 2de en 3de maand van de dracht voornamelijk de afwijkingen veroorzaken. De typische letsels zijn arthrogrypose, scoliose, torticollis, onderbespiering en misvormingen ter hoogte van het centraal zenuwstelsel.
Foto 1 & 2: Arthrogrypose, scoliose en torticollis
![]()
Foto 3 & 4: hydranencephalie
We vragen alle dierenartsen en veehouders om verdenkingen te melden aan DGZ en om stalen van verdachte gevallen over te maken voor verder onderzoek.
Een diagnose is vandaag enkel te stellen door het viraal RNA op te sporen via PCR. Er is momenteel immers nog geen serologische test beschikbaar. Deze PCR-test gebeurt in het referentielaboratorium voor dierziekten CODA. Uit infectieproeven, uitgevoerd in Duitsland, blijkt dat het virus een zeer korte viremie zou vertonen van maximum 6 dagen. Doordat deze viremie zo kort is, wordt natuurlijk ook de detectie van het virus moeilijker. Na deze viremie is virusisolatie niet meer mogelijk, tenzij vanuit lammeren of kalveren met congenitale afwijkingen.
Indien symptomen worden vastgesteld waarvoor het Schmallenbergvirus verantwoordelijk zou kunnen zijn, vragen we om dit te melden aan DGZ:
- Abortussen en doodgeboren lammeren of kalveren dienen zoals voor het abortusprotocol aangeleverd te worden (foetus, nageboorte, serum van het moederdier). Indien er duidelijke macroscopische afwijkingen zichtbaar zijn, zullen deze dieren onderzocht worden op het Schmallenbergvirus en daarnaast ook op Brucellose, Blauwtong en Q-koorts. Kalveren met de afwijkingen worden ook onderzocht op BVD-antigeen.
- Voor levende dieren met de bovenvermelde symptomen, zal in samenspraak met één van de dierenartsen van het herkauwersteam beslist worden of deze in aanmerking komen voor verder onderzoek voor het Schmallenbergvirus. Hiervoor dient telefonisch contact opgenomen te worden via de helpdesk van DGZ (tel. 078 05 05 24). Andere zaken zoals winterdysenterie, BVD, IBR, Salmonella en voedingsgerelateerde oorzaken van diarree, koorts en gedaalde productie moeten eerst uitgesloten worden. Benodigde stalen hiervoor zijn serum, ongestold bloed, neusswabs en meststalen van acuut zieke dieren.
- We vragen u om deze stalen samen met een goede anamnese alsook de vermelding ‘verdenking Schmallenberg’ aan het laboratorium van DGZ te bezorgen voor onderzoek.
Een behandeling van aangetaste dieren bestaat niet. Vaccinatie is momenteel nog onmogelijk omdat geen enkel vaccin gekend is tegen dit voorheen onbekende virus. Preventief kan men drachtige dieren tijdens de periode van activiteit van kriebelmuggen ophokken, en bij schapen wordt aangeraden om bij het volgende dekseizoen de periode van dekking uit te stellen, afhankelijk van de periode van activiteit van de kriebelmuggen.

Lees ook








