Vlekziekte
Vlekziekte is een ‘oude’ ziekte die, vooral in legsector, terug regelmatig opduikt en tot belangrijke economische verliezen kan leiden.
Vlekziekte is een bacteriële aandoening die reeds lange tijd bekend is in de varkenshouderij. Ook bij andere zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, vogels en zelfs bij de mens kan de kiem ziekte veroorzaken.
Bij vogels komt de ziekte niet aleen voor bij kippen en kalkoenen, maar ook bij eenden, ganzen, fazanten, kwartels en parelhoenders. De laatste jaren wordt de aandoening meer en meer gediagnosticeerd op industriële pluimveebedrijven. Vooral legbedrijven met alternatieve productie (scharrel, volière en biologisch gehouden dieren) blijken gevoelig voor de bacterie. Op kalkoenbedrijven komt de ziekte bijna niet meer voor.
Zoönotisch belang
Bij de mens kan de bacterie zowel een lokale huidinfectie als een bloedvergiftiging veroorzaken. Slagers, koks, dierenartsen en dierenverzorgers zijn risicogroepen. Huidwonden zijn ook hier de belangrijkste intredeplaats voor de kiem. Voorzichtigheid blijft geboden voor dierenartsen en pluimveehouders die secties uitvoeren bij hun dieren. In Nederland vertoonde een student diergeneeskunde een huidinfectie en opgezette oksellymfeklieren na het uitvoeren van een sectie bij een besmet dier.
Oorzaak en infectie
Vlekziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Erysipelotrix rhusiopathiae. De kiem is uitermate resistent tegen verschillende omgevings- en chemische factoren. In de bodem kan ze jarenlang overleven.
Er zijn 26 serotypes van de kiem beschreven; bij pluimvee behoren de isolaten in de meeste gevallen tot serotypes 1,2 en 5.
Hoewel de ziekte bij kalkoenen meer voorkomt bij mannelijke dieren, is er geen bewijs van verschillende ziektegevoeligheid tussen de geslachten.
Mogelijke infectiebronnen zijn vochtige grond, water, kadavers, voeder, ongedierte, vissen en wilde vogels.
Er wordt aangenomen dat de bacterie binnendringt via de slijmvliezen van de luchtwegen en het darmkanaal. Ook huidwonden kunnen een intredeplaats zijn. Tomen waarin kannibalisme en/of vechtwonden vaak voorkomen, vertonen een verhoogd risico op de aandoening.
Symptomen
Zowel bij kippen als kalkoenen kan de ziekte heel acuut starten met sterk verhoogde uitval binnen enkele weken na de introductie van de kiem in de toom. Meestal is er slechts een klein deel van de toom aangetast met licht verhoogde sterfte die gedurende een lange periode aanhoudt.
De belangrijkste klinische symptomen bij kippen zijn algemene zwakte, depressie, eventueel diarree en plotse dood. Bij legkippen kan de eiproductie afnemen.
Bij kalkoenen begint de ziekte met plotse sterfte van meerdere dieren. Volwassen kalkoenhanen zijn zeer gevoelig. Deze verhoogde gevoeligheid wordt vaak geassocieerd met hevige gevechten tussen de hanen onderling. De grote wonden aan de kopversierselen zijn een ideale intredepoort voor de bacterie. Gezwollen kopversierselen, oogontsteking en geelgroene diarree kunnen optreden. De ziekte komt meer voor in de herfst en winter.
Op basis van de klinische symptomen en sectiebevindingen kan de ziekte vermoed worden. Bij autopsie van zieke dieren kunnen kleine bloedingen op de hartspier en in het vetweefsel, korstige huidletsels en een vergroting van de milt en lever op een mogelijke vlekziektebesmetting kunnen wijzen.
De uiteindelijke diagnose wordt gesteld door bacteriologisch onderzoek van de aangetaste organen. Uit bacteriologisch onderzoek blijkt dat de kiem moeilijk groeit indien er een andere bacteriële infectie (mogelijk E. coli) betrokken is.
De behandeling bestaat uit de toediening van antibiotica (penicillines en derivaten). Aangezien dit niet op legbedrijven toegepast kan worden, ligt de nadruk vooral op preventieve maatregelen. Correcte vaccinatie in de opfokperiode en een goede reiniging en ontsmetting zijn de belangrijkste preventieve maatregelen.
Het (daaropvolgend) koppel dient in de opfok tweemaal gevaccineerd te worden met een geïnactiveerd vlekziektevaccin. Naast commercieel beschikbare vaccins kan er na diagnose een autovaccin aangemaakt worden. Een langdurige immuniteit kan slechts opgewekt worden door de dieren allen tweemaal te vaccineren met een interval van vier weken.
Aangezien de vlekziektebacterie gedurende meerdere jaren op het bedrijf aanwezig kan blijven, is het verstandig om minstens de drie opeenvolgende koppels te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de kiem. Dit maakt duidelijk of de kiem nog steeds, al dan niet aanwezig is op het bedrijf.







