Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

  
In Nederland, Australië en het Verenigd Koninkrijk heeft men aangetoond dat op ongeveer 70% van de legbedrijven Brachyspira voorkomt. Vaak gaat het om pathogene soorten.

Symptomen

AIS is een chronische ziekte, waarbij de darm – vooral de blinde darm – geïnfecteerd is met Brachyspira. Hierdoor wordt de darmwand beschadigd en ziet men diarree, besmeurde cloaca’s en typische lichtbruine, schuimige blindedarmmest verspreid in het hok.

De ernst van de symptomen is afhankelijk van de soort Brachyspira. Ook andere factoren dragen bij aan de ernst van de symptomen, bijvoorbeeld stress.

De aandoening komt voor zowel bij moederdieren als bij leghennen. Ook mestkuikens en kalkoenen kunnen ziek worden, met diarree en nat strooisel als gevolg.

Groeivertraging, verhoogde voederconversie en een verminderde uniformiteit van de toom zijn hiervan het gevolg.

Bij leggende hennen neemt het aantal bevuilde eieren toe en het strooisel wordt natter.

Hoewel opfokhennen al besmet kunnen zijn, ziet men meestal symptomen optreden als de dieren naar de piekproductie toegaan. Soms wordt de piek helemaal niet bereikt of houdt die piek slechts kort aan, en blijft de productie ondermaats als er niet behandeld wordt.

AIS kan een legdaling geven van 5 tot 10%. Bij herinfectie is er telkens een knik in de legcurve.

Doordat besmette dieren de kiem uitscheiden via de feces, vormt het strooisel bij grondhuisvestiging een bron van herinfectie.

Diagnose

Bij autopsie ziet men niet-specifieke letsels zoals bleke kammen, bleke eifollikels en darmontsteking. Opvallend zijn de blinde darmen: dikwijls zijn ze erg opgeblazen, en gevuld met lichtbruine, te vloeibare of schuimige inhoud.

Om de diagnose van AIS te bevestigen, kan men een kleuring maken van de blindedarminhoud of een immunofluorescentietest doen om de bacteriën op te sporen. Hiermee is het echter niet mogelijk om de verschillende soorten van elkaar te onderscheiden. Het kweken van Brachyspira is moeilijk en vergt veel tijd: drie à tien dagen, wat voor diagnostiek te traag is.

Aan de hand van PCR kan men snel Brachyspira aantonen en een onderscheid maken tussen pathogene en niet-pathogene stammen. Bij pluimvee worden B. pilosicoli, B. intermedia en B. alvinipulli  beschouwd als pathogeen.  Van B. innocens neemt men aan dat deze niet-pathogeen is, terwijl het pathogeen karakter van B. hyodysenteriae nog onduidelijk is bij pluimvee.

De PCR-test kan uitgevoerd worden op mest verwijderd uit de blinde darm bij autopsie, of op een staal van blindedarmmest genomen in de stal. Er is hiervoor 3 gram feces nodig; het monster moet koel naar het labo gestuurd worden.

De PCR-test detecteert  B. pilosicoli en B. hyodysenteriae en kan deze species ook differentiëren.

Preventie & behandeling

AIS is een chronische aandoening en als er klinische symptomen opduiken, is dit dus vaak ook te wijten aan andere factoren. Om het probleem grondig aan te pakken, is het daarom belangrijk om stressfactoren en managementfouten te corrigeren.

Brachyspirae zijn effectief te behandelen met antibiotica: pleuromutilines, lincomycine en tetracyclines, alhoewel opkomende resistentie is beschreven.

Koppels behandeld in een vroeg stadium kunnen terug een normaal legpercentage bereiken. Hoe langer de infectie aanhoudt, hoe meer schade berokkend wordt aan de darm: volledig herstel wordt dan moeilijker.

Na drie à vier weken is de kans op herinfectie vanuit de omgeving echter groot.

Omdat de infectie een daling van de nutriëntenopname veroorzaakt, is het aangewezen extra vitaminen, mineralen en sporenelementen toe te dienen.

Aangezien de kans op herbesmetting vanuit de omgeving groot is, ligt de focus op preventie aan de hand van bioveiligheidsmaatregelen. Hierdoor zal de kans op besmetting van andere koppels op het bedrijf of van een volgende ronde eveneens verminderen. Contact met besmet strooisel of mest moet in elk geval vermeden worden.

Tijdens de leegstand moet het bedrijf ook altijd goed gereinigd en ontsmet worden.

Wilde vogels, knaagdieren en vliegen spelen mogelijk ook een rol bij de verspreiding van de kiem en moeten dus onder controle gehouden worden.