Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

    
Naast deze gekende Brachyspira-soorten zijn ook nog verschillende minder bekende soorten die evenwel als niet, of minder, ziekteverwekkend beschouwd worden. Geen van deze kiemen vormt een gevaar voor de volksgezondheid.

Symptomen

De kiem wordt oraal opgenomen en komt in de dikke darm terecht. Dit kan zonder ziektetekenen verlopen. Onder invloed van uitlokkende factoren kan Brachyspira echter de darm koloniseren en gifstoffen produceren. Dit kan leiden tot een darmontsteking met ziekte tot gevolg. Als bloedvaten aangetast worden door de gifstoffen, kan er acute sterfte optreden.

Bij dysenterie is een persisterende diarree het meest opvallende symptoom. Dit komt het vaakst voor bij varkens van 12 kg tot 80 kg. Het uitzicht van de mest is echter variabel in kleur en consistentie. Initieel is de mest geel gekleurd, vervolgens bruin-rood en in een latere fase cementkleurig. De consistentie wijzigt van slap naar ietwat waterig tot eventueel bijmenging van slijm en bloed. Door de aanhoudende diarree vermageren de dieren en hebben ze ingevallen flanken. De permanente daling van de groei leidt tot een stijging van de voederconversie. Er is dan ook vaak een bevuilde achterhand te zien en/of een roodverkleuring van de huid.

Bij porciene intestinale spirochetose zijn over het algemeen jongere dieren aangetast. De ziekte wordt vaak opgemerkt bij de overgang naar een ander voeder en/of het mengen van groepen dieren zoals bij spenen. Er is zelden sterfte en de symptomen beperken zich tot diarree en ingevallen varkens.

Besmettingsbron

De kiem wordt uitgescheiden via de mest van besmette varkens. De uitscheiding kan tot twee maanden na de symptomen plaatsgrijpen. Contact met varkens die de kiem uitscheiden, is dus een belangrijke bron van besmetting. Met mest bevuild materiaal en kledij vormt ook een risico om de kiem binnen het bedrijf te spreiden. Spreiding tussen bedrijven kan plaatsvinden via met mest bevuilde transportmiddelen of ander materiaal. De kiemen overleven immers lang (tot twee maanden) in vochtig organisch materiaal en vormen daardoor een constante bron van besmetting en herbesmetting.

De kiem kan ook overgedragen worden door vliegen, muizen, ratten, vogels en honden. Muizen kunnen de besmetting onderhouden.

Diagnose

De symptomen bij de levende dieren geven vaak reeds een indicatie, net als de typische aantasting van de dikke darm die vastgesteld kan worden bij autopsie van gestorven dieren.

Het vermoeden van Brachyspira kan bevestigd worden door de kiem op te sporen met laboratoriumonderzoek. Dit kan op drie manieren:

  • Aan de hand van een kleuring van mest of darm kan de kiem aangetoond worden. De kiem is zichtbaar, maar het is niet mogelijk om te bepalen over welke soort het gaat (typering) of om te bepalen of de kiem een rol speelt in de problematiek. Evenmin is het mogelijk om een antibioticumgevoeligheidsbepaling uit te voeren.
  • De kiem kan gekweekt worden. Dit gebeurt onder anaerobe omstandigheden (zonder zuurstof). Het is belangrijk dat het mestmonster correct wordt genomen en bewaard, nl. rectaal verzameld en luchtdicht getransporteerd. Als de kiem groeit, is het mogelijk te bepalen over welke soort het gaat (typering) én kan er een antibioticumgevoeligheidsbepaling uitgevoerd worden.
  • Het genetisch materiaal van de kiem kan aangetoond worden aan de hand van PCR-onderzoek. Bepalen over welke soort het gaat (typering) is hier ook mogelijk, maar er kan geen antibioticumgevoeligheidsbepaling uitgevoerd worden.

Behandeling & preventie

Bij de bestrijding van B. hyodysenteriae-infecties worden vaak antimicrobiële middelen ingezet. Slechts een beperkt aantal middelen, voornamelijk pleuromutilinen en macroliden, is werkzaam tegen deze kiem.

Resistentie komt echter frequent voor, soms tegenover één antibioticum, maar ook vaak tegenover meerdere antibiotica. Laat daarom steeds een antibioticumgevoeligheidsbepaling uitvoeren. Gebruik een werkzaam antibioticum voldoende lang en aan een voldoende hoge dosis.

De langdurige overleving van de bacterie in mest en knaagdieren vormt een ernstige hinderpaal in de pogingen om komaf te maken met de kiem op bedrijfsniveau. Succesvolle eliminatie steunt op twee pijlers, namelijk de verwijdering van de kiem uit de dieren via behandeling en het voorkomen van herbesmetting vanuit de omgeving (hygiëne) en vanuit knaagdieren. Bioveiligheid speelt dus een grote rol.

Ook stress bij de dieren kan de ziekte uitlokken. Verhok daarom zo weinig mogelijk, vermijd overbezetting en controleer de voersamenstelling.