Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

Ziekte

Lammeren die een erge coccidiose meemaken, stagneren in groei die later in de verdere opfokperiode deels wordt ingehaald. De achterstallige groei wordt evenwel nooit volledig ingehaald en dat betekent dat toekomstige fokdieren nooit volledig uitgroeien en hun volledig (groei)potentieel niet kunnen laten blijken.

Kiem

Een beperkt aantal Eimeria-soorten, met name Eimeria ovinoidalis en Eimeria Crandallis, kunnen coccidiose veroorzaken bij lammeren van 3 tot 12 weken leeftijd. Deze parasiet komt in zeer sterke mate voor in schapenhouderij en dat wereldwijd.

Symptomen

Een besmetting verloopt vaak ongemerkt en resulteert in immuniteitsopbouw. Subklinische symptomen zoals verminderde voederopname, verminderde groei en verminderde eetlust zijn moeilijk of niet op te merken indien er geen klinisch symptoom zoals diarree wordt vastgesteld.

Klinische coccidiose kan gepaard gaan met diarree (mogelijk zwart gekleurd of bloederig), bloedarmoede, vochtverlies, verminderde voeropname, groei en weerstand en kan soms leiden tot sterfte. Door het bloedverlies kunnen de slijmvliezen van de dieren bleek zijn. Bij diarree maken de lammeren langdurig persbewegingen wat kan leiden tot een rectumprolaps (uitstulping van de endeldarm).

Diagnose

In eerste instantie kan de aanwezigheid van klinische symptomen in combinatie met de aanwezigheid van risicofactoren (overbevolking, vochtigheid, later in het lammerseizoen) leiden tot de diagnose.

Preventie en behandeling

Preventie
Bij een goede biestopname zijn de lammeren de eerste 2 tot 4 weken beschermd. Met zuiver strooisel, een droog stalklimaat, vers, niet gecontamineerd voeder en water en het beletten van overbevolking kan de infectiedruk laag en de weerstand op peil worden gehouden. Door de voederbakken en drinkbakken op een hoger niveau te zetten, kan worden verhinderd dat de inhoud wordt bevuild, maar let erop dat de lammeren nog aan het voeder en het drinkwater kunnen. Oöcysten kunnen via schoeisel worden verspreid. Verhinder verspreiding van bedrijf tot bedrijf door het gebruik van bedrijfsspecifieke laarzen.

Besmette lammeren scheiden na immuniteitsopbouw nog behoorlijk grote hoeveelheden (in verhouding tot de ooien) oöcysten uit waardoor de infectiedruk voor de jongere lammeren enorm hoog is. Houd daarom jongere en oudere lammeren in de stal gescheiden en weid de jongeren niet na de ouderen. Vermijd ook het samenvoegen van groepen (jonge) lammeren (verschillen in immuniteit). Oöcysten overwinteren op het land of worden in constant lage hoeveelheden door ooien uitgescheiden waardoor de kans op coccidiosebesmetting voor de volgende generaties aanwezig blijft.

Behandeling
Aangezien coccidiose een groepsaandoening is, moeten alle lammeren bij ziekte gelijktijdig worden behandeld. Enkel de lammeren, niet de moederdieren worden behandeld. In geval van een zware besmetting kan een tweede behandeling een maand na de eerste noodzakelijk zijn, maar structureel is het aangewezen om ook het management aan te passen (ventilatie, uitmesten en nieuw strooisel, overbevolking aanpakken…).