Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

  
Door de aard van de letsels in de lever kan een brede waaier van symptomen ontstaan. Die variëren van melkproductieverlies, vermageren, slechte groei van jongvee, diarree tot sterfte. Het voornaamste gevolg voor de veehouder is dus economisch van aard: een verminderde melk- en vleesproductie, en de afkeuring van levers in het slachthuis.

Tijdens de stalperiode kan een rund zich min of meer herstellen van een chronische leverbotinfestatie. De dieren bouwen echter heel weinig weerstand op waardoor ze ieder nieuw seizoen besmet kunnen raken.

Besmettingsroute

Leverbotinfectie, of distomatose, wordt veroorzaakt door de parasiet leverbot of Fasciola hepatica. 

Volwassen leverbotten zijn een soort platwormen met een lengte van 2 à 4 cm. Ze leven in de galgangen van de gastheer, waar ze – door vorming van verkalkingen (de zogenaamde pijpenstelenlever) – een chronische ontsteking veroorzaken. Ze produceren per dag tot 7000 eieren die via de galgangen in de mest terechtkomen en zo intermitterend uitgescheiden worden. Men neemt aan dat de uitscheiding van eieren het grootst is na de middag.

Cruciaal bij het in stand houden van de leverbotcyclus is de aanwezigheid van de weideslak of poelslak, Galba truncatula, als tussengastheer. De poelslak komt vooral voor op vochtige weiden, langs beken, poelen en sloten. Enkel droogte kan ervoor zorgen dat ze in aantal verminderen.

Runderen en andere grazers kunnen gedurende het hele weideseizoen besmet raken:  

  • In het begin van het weideseizoen speelt de winterinfectie een rol: dieren worden besmet via cysten uit de voorraad overwinterde besmette slakken. Bij natte, zachte winters is er een groter risico op besmetting.
  • De zomerinfectie treedt op van augustus tot oktober. Dan zijn het de overwinterde eieren van het vorige weideseizoen die vanaf half juni de eerste slakken besmetten, die op hun beurt vanaf augustus de besmettelijke cysten vrijgeven. In onze streken is de zomerinfectie belangrijker dan de winterinfectie, en dat geldt vooral voor vochtige, warme zomers.

Diagnose

Mestonderzoek

De mest wordt microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van leverboteieren. Mestonderzoek kan in principe het hele jaar door, maar is het nuttigst tussen januari en mei. Dan is de uitscheiding in de mest immers het grootst  en krijgt men een idee van de mate van zomerinfectie van het voorbije seizoen. Omwille van de intermitterende uitscheiding is het uiteraard best om meerdere dieren uit de groep (minstens vijf) te bemonsteren. Het aantonen van leverboteieren bij één of meerdere dieren duidt op infestatie in de gehele groep.

Aantonen van antistoffen in bloed(serum) en tankmelk

Bij een leverbotinfestatie worden er antistoffen gevormd in het bloed en de melk. Deze antistoffen zijn aantoonbaar tot 180 dagen na het verdwijnen van de infestatie (bv. na behandeling). Ook bij deze test is het aangewezen om meerdere dieren (minstens 5, bij voorkeur 10) te bemonsteren om een idee te krijgen van de graad van infestatie in de groep.

Bij melkvee is het belangrijk een periodieke monitoring via tankmelk te doen. Meer informatie hierover vind je in het Parasitair profiel Melkvee.

Biochemisch bloedonderzoek

Om de leverbeschadiging of leverinsufficiëntie te evalueren, kan men het gehalte gammaglutamyltransferase (GGT) bepalen. Een te hoog GGT-gehalte gedurende de periode dat de jonge leverbotten door de lever migreren, kan duiden op een leverbotinfectie. Voor een meer exacte diagnose dient dit onderzoek aangevuld te worden met serologie of mestonderzoek.

Lijkschouwing

Uiteraard kan men bij gestorven dieren (bv. in het slachthuis) de lever zelf onderzoeken om een diagnose te stellen.

Behandeling

Belangrijk bij de bestrijding van leverbot is de dieren zelf leverbotvrij te maken, zodat er geen leverboteieren terechtkomen op de weide. Om te weten of een behandeling nodig is, moet men eerst duidelijkheid krijgen over de leverbotsituatie van het bedrijf. Dit kan met behulp van regelmatige controles van bloedstalen en tankmelk, of mestonderzoek.

De keuze van bestrijdingsmiddelen hangt af van de werkzaamheid en wachttijden van het product. Sommige bestrijdingsmiddelen doden enkel de volwassen botten, andere ook de larvaire stadia. Voorzichtigheid is geboden bij het behandelen van melkvee. Voor deze dieren is er slechts weinig medicatie geregistreerd en dus toegelaten. Volg altijd goed de richtlijnen die vermeld staan in de bijsluiter.

Preventie

Preventie tegen leverbot gebeurt op twee fronten. 

In de eerste plaats is het belangrijk om de aanwezigheid van de poelslak als tussengastheer aan te pakken. Het weidebeheer speelt hierbij een cruciale rol. Leverbotslakjes gedijen in een vochtige omgeving, zoals greppels en poelen, en vochtige zones in de wei. Daarom is het aanbevolen om poelen en beken af te sluiten zodat de grazende dieren er niet bij kunnen en drinkbakken te installeren. Natte weiden kan je draineren en maaien in het voorjaar, voor de dieren op de weide gaan. In het voorjaar kan je ook calciumcyanamide gebruiken om de slakken te bestrijden, maar zo pak je enkel de winterinfectie aan.

Verder is het cruciaal om de dieren zelf vrij te houden van leverbot, en de veestapel na het opstallen jaarlijks te monitoren via bloed- of tankmelkonderzoek (zie Parasitair profiel Melkvee). Verder kan het in leverbotgevoelige regio’s aangewezen zijn om een jaarlijkse winterbehandeling uit te voeren bij de volledige kudde, of een systematische behandeling tijdens de droogstand bij melkvee.

Tip:

Door het identificeren van de verschillende mogelijke habitats waar de leverbotslak kan gedijen, het infectierisico dat van deze verschillende habitats uitgaat en de periode waarin het grootste infectierisico optreedt, kan het risico op leverbotinfectie op bedrijven voorspeld worden en kunnen weloverwogen weidebeheersmaatregelen voorgesteld worden om productieverliezen ten gevolge van leverbotinfectie terug te dringen.