Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

In de moderne melkveehouderij is er meer en meer sprake van schaalvergroting en specialisatie. Het aantal melkkoeien en melkveebedrijven is de voorbije decennia in Europa langzaam gedaald, terwijl de gemiddelde productie per koe sterk gestegen is. Deze stijgende melkproductie is het gevolg van doorgedreven genetische selectie en verbeteringen in het management zoals voeding, huisvesting en algemene verzorging.

In Vlaanderen is daardoor een productie van 10.000 kg melk of meer geen uitzondering meer. Deze hoge producties zijn echter enkel mogelijk doordat de melkkoe in tijden van energieoverschot reserves aanlegt en deze aanspreekt tijdens momenten van energietekort, zoals in de vroege lactatie. Dit wankel evenwicht kan echter snel uit balans geraken en ernstige productieziekten veroorzaken.

Van groot belang in dit evenwicht is de transitieperiode, namelijk de periode 3 weken vóór tot 3 weken na het afkalven. Immers, naar het einde van de dracht toe wordt de energiebehoefte van de melkkoe op korte tijd verscheidene keren groter tengevolge van de steeds stijgende energienood van het sterk groeiende kalf in de baarmoeder en van de uier. Na de kalving zorgt het begin van de lactatie nogmaals voor een explosieve stijging van de energiebehoefte. Aan deze grote energievraag wordt gedeeltelijk tegemoet gekomen door een stijging van de drogestofopname (DSO). Deze verhoogde DSO houdt echter geen gelijke tred met de sterk stijgende energievraag met als resultaat dat elke melkkoe de eerste weken na de kalving in een toestand van negatieve energiebalans (NEB) verkeert. Door een erg lange of diepe NEB kunnen sommige koeien echter in een neerwaartse spiraal terechtkomen waardoor productieziekten zoals ketonemie of leververvetting kunnen ontstaan. Om dit te vermijden is er voor de veehouder en zijn begeleidende dierenarts een cruciale rol weggelegd: het management en dan vooral de voederstrategie moeten zorgvuldig afgestemd worden naargelang de behoeftes.

Om een eventuele buitensporige verstoring van het evenwicht DSO – NEB in beeld te brengen, kan gemakkelijk gebruik gemaakt worden van bloedanalyses. Hierbij wordt specifiek gekeken naar NEFA’s (niet-veresterde vetzuren) en BHB (beta-hydroxy-boterzuur) bij hoogdrachtige en pasgekalfde koeien. Deze twee parameters kunnen – mits juiste interpretatie – gaan voorspellen of er een grotere kans bestaat op het ontwikkelen van leververvettingen en ketonemie, met alle daaraan gelinkte ziektes zoals lebmaagverplaatsing, ophouden van de nageboorte, baarmoederontsteking, kalfziekte, enz. Op deze manier wordt het mogelijk om gerichter bij te sturen en dit vooral op vlak van rantsoen en management tijdens de droogstand en bij het begin van de lactatie. In onderstaande tabel zijn de referentiewaarden terug te vinden voor NEFA’s en BHB pre- en postpartum.
 

  Grenswaarde prepartum (mmol/l) Grenswaarde postpartum (mmol/l)
 NEFA  0,3 0,6
 BHB  1,0 1,4