Voor Veeportaal en DGZ Online: klik op 'MIJN DGZ'

078 05 05 23
Kies je dier
Kies je dier

Besmettingsroute

De ziekte Caseous lymfadenitis (CL) wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis.

De bacterie dringt via huidwondjes het dier binnen en veroorzaakt een lymfeklierabces dat door de huid openbreekt. De bacterie wordt uitgezaaid via de bloedbaan naar andere lymfeklieren die op hun beurt gaan veretteren. Dit is de voornaamste besmettingsweg bij geiten.

Aerogene besmetting in de longen veroorzaakt abcessen in de borstholte. Deze vorm komt o.a. in Engeland bij schapen voor.

Diagnose

De waarschijnlijkheidsdiagnose wordt gesteld op basis van de klinische verschijnselen. Bacteriologische kweek van de etter (swab, punctie …) kan de diagnose bevestigen.

Aangezien de bacterie traag groeit en er bijkomende testen nodig zijn, moet de CL-verdenking op het aanvraagformulier voor laboratoriumonderzoek vermeld worden.

Antistoffen kunnen opgespoord worden door middel van een ELISA-test op een serummonster.

Differentiaaldiagnose

  • Abcessen door Arcanobacterium pyogenes, Staphylococcus aureus, Pasteurella multocida, Yersinia pseudotuberculosis.
  • Zwelling door talgklierverstopping of speeksel.

Preventie en behandeling

Behandeling met antibiotica is niet mogelijk.

Bij een eerste abces, is het belangrijk om het dier onmiddellijk af te zonderen, het abces te laten uitspoelen en ontsmetten. Indien dit het eerste geval van CL is op het bedrijf, dan is het aangewezen het dier uit de kudde te verwijderen. CL blijft levenslang aanwezig in het dier.

CL komt het bedrijf meestal binnen via de aankoop van besmette dieren. Aangezien het maanden kan duren vooraleer een besmet dier een eerste abces krijgt, is men nooit zeker van de CL-vrije status van een geit. Bekijk daarom het bedrijf waar je een dier koopt in zijn geheel: ga na of er op dat bedrijf abcessen voorkomen (of voorkwamen).

GD heeft in Nederland een georganiseerd bestrijdingsprogramma. Alle geiten vanaf 6 maanden worden tweemaal onderzocht met een interval van 6 maanden. Nadien volgt een jaarlijkse en daarna tweejaarlijkse serologische screening vanaf de leeftijd van 12 maanden.